Youp van 't Hek

Youp van 't Hek mijmert over Majoor Bosshardt en de Strijdkreet.

Gepubliceerd: 03 augustus 2017 in Samenleving Tekst: Youp van 't Hek Beeld: Bob Bronshoff

Youp van 't Hek

Youp van 't Hek mijmert over Majoor Bosshardt en de Strijdkreet.

Gepubliceerd: 03 augustus 2017 in Samenleving Tekst: Youp van 't Hek Beeld: Bob Bronshoff

Toen ik jong was en vaker in  de  kroeg stond dan de laatste jaren, kwam majoor Bosshardt ons in het café nog wel eens opzoeken. Majoor Bosshardt, de in heel Nederland wereldberoemde majoor van het Leger des Heils.

Met een collectebus en een stapel Strijdkreten. Had vaak met haar te doen. Dat dronken gebazel dat ze moest aanhoren, dat quasi gevatte geneuzel van al die barkrukverslaafden, die dachten dat ze grappig waren. Die versleten caféhumor. Het was altijd leuk om met haar te praten. Ze luisterde en oordeelde nooit. En ze zeurde ook niet over God. Dat scheelde. Ik gaf altijd wel wat. Op voorwaarde dat als ik later in de goot zou eindigen, ik dan in de kazerne van haar leger zou worden opgevangen.

Ze lachte vriendelijk en zei dat het met mij niet zo’n vaart zou lopen. En mocht het misgaan, dan was ik welkom. Iedereen was bij haar namelijk welkom. De majoor was een vaste gast. Vooral op de vrijdagavond. Dat was meestal haar stapavond. Ze lachte wat, ging met de bus rond, dronk een blauw spaatje en verdween weer. Op naar de volgende kroeg waar ze  hetzelfde  geouwehoer naar haar hoofd kreeg. Ze onderging het stoïcijns. En met een glimlach.

“Omdat het soms misgaat,” zei ze toen ik haar ooit naar haar motief vroeg, “en als het dan misgaat laat je  iemand niet liggen!” Zo simpel was het en zo simpel is het nog steeds. Met grote ketels soep naar de daklozen. Warme soep. Daar heb je als dakloze meer aan dan aan begrip. Daarom gaf ik graag. Hoeveel? Zoveel ik kon missen. Of dat veel was? Nee, dat was in die tijd niet zo heel veel. Ik moest namelijk ook nog drinken.