Vijf vragen aan een dakloze | Rana

Er bestaan veel ideeën over mensen die dak- of thuisloos zijn. Hoe dat zo is gekomen, of je wel of niet geld moet geven, of het hun eigen schuld is of niet. Strijdkreet stelt vijf vragen aan verschillende mensen die dakloos zijn. Rana Lachman (60) uit Den Haag is één van hen.

Gepubliceerd: 09 oktober 2017 in Samenleving Tekst: Willemijn de Jong Beeld: Madame Forêt

Hoe werd je dakloos?
"Ik stond op 6 januari van dit jaar op straat. Ik heb daarvoor altijd gewerkt. Ik was 25 jaar P&O-functionaris bij de Hogeschool voor de Kunsten in Den Haag. Mijn ouders werden een aantal jaar geleden allebei ernstig ziek. Ze hadden 24 uur per dag zorg nodig. Ik kon bij mijn werkgever niet ‘thuiswerken’, dus besloot ik ontslag te nemen. In ruil voor een mooi afscheidsbedrag vroeg ik geen uitkering aan. Ik trok bij mijn ouders in, die in Zoetermeer woonden, en verzorgde hen. Toen zij overleden en ik de huur niet meer kon betalen, moest ik het huis uit.”

 Waar sliep je dan?
"Ik sliep eerst in een parkeergarage. Het was heel erg koud. Ik had drie jassen aan, een paar sjaals om en verwarmde me bij de heteluchtroosters. Je moet een beetje creatief zijn. Als je dakloos bent en je gaat jammeren, dan kom je niet ver. In die parkeergarage vonden agenten me. Ze zeiden dat er in Zoetermeer geen daklozenopvang was, en dat ik naar Den Haag moest gaan. Gelukkig had ik mijn fiets nog, dus ben ik naar Den Haag gefietst. De eerste paar dagen sliep ik in het Haagse Bos. Later vond ik een plekje in het gebouw van Unicef Nederland. Daar sliepen ook een paar Polen. De mensen die daar ‘s ochtends op hun werk kwamen en mij in de hal zagen liggen, gaven me koffie en wezen me de weg naar het Leger des Heils."

Was je niet teleurgesteld in de mensen om je heen?
“Nee, hoor. Ik wilde geen overlast veroorzaken, dus ging ik overdag straatvuil ophalen. Als ik nu terugkijk, zie ik dat ik teveel voor mijn ouders heb gekozen en mezelf een beetje ben vergeten. Tijdens mijn tijd op straat is iedereen vriendelijk voor me geweest. De Polen gaven me brood en een biertje - alsof dat vanzelfsprekend was. Ik heb ook eens iets bijzonders meegemaakt. Toen ik in het Haagse Bos sliep, zat er een keer een man op mij te wachten bij mijn slaapplek. ‘Slaapt u hier?’, vroeg hij. Toen vertelde hij dat hij die nacht over mij gedroomd had en dat hij me iets moest geven. Kreeg ik zomaar veertig euro. Zo zijn er nog wel meer dingen gebeurd. God zorgt voor mij.”

Waar slaap je nu?
"Ik slaap in de daklozenopvang in een grote slaapzaal. Gelukkig heb ik geen last van het gesnurk van anderen. Ik heb de dienstplicht meegemaakt, toen sliepen we ook met z’n tienen op een kamer."

Wat vind je moeilijk aan dakloos zijn?
“Ik heb de energie niet meer om te zwerven, op mijn leeftijd. Tijdens deze periode ben ik al mijn tanden kwijtgeraakt, en ik heb geen geld voor een kunstgebit. Het moeilijke aan dakloos zijn, is dat je de hele dag bezig bent met het vinden van een slaapplek en met overleven. Je bent blij als de dag weer voorbij is. In de daklozenopvang is geen plek voor je spullen, dus ik zeul de hele dag met tassen met mijn persoonlijke bezittingen. Ik ben nu bezig met een daklozenuitkering en het krijgen van een postadres. Dan krijg ik eindelijk weer zicht op een woning.“