Van kampioen tot kapelaan

Jarenlang was Norvin Martina de beste ‘powerlifter’ van Nederland. Met doping, maar zonder God, kon hij net geen driehonderd kilogram tillen. Clean en mét God lukt dat wel. Dankzij dezelfde Goddelijke kracht doopte hij ruim 200 gedetineerden, in een zwembad in de beruchtste gevangenis van Curaçao. “Ze kenden de donkere wereld, ik kwam het licht brengen.”

Gepubliceerd: 04 juli 2018 in Geloven Tekst: Wilfred Hermans Beeld: Margriet Alblas

“Het was 1984. De jongens van blok 8 hadden alles verbrand, de kussens, matrassen, álles. Drie dagen lang werden ze zonder eten opgesloten. Daarna waren ze natuurlijk woedend! ME’ers moesten hen in bedwang houden. Ik vroeg aan de ME-commandant: ‘Geef me één kans om met hen te praten’. ‘Oké, kapelaan, u hebt vijf minuten’. Ik stapte blok 8 binnen, met mijn Bijbel, en zei: ‘Laten we bidden voor vrede, anders vallen er dooien’. Ik ging op mijn knieën. Ie-der-een deed mee, en na het gebed kozen ze voor vrede. Er is geen schot gevallen.”

Zevenhonderd kniebuigingen
Norvin Martina (65) bestelt ‘een theetje’. Laat dan een krantenbericht zien. “Kijk, dit zijn de jongens van het verslavingsinstituut. Daar komen ze terecht als hun gevangenisstraf er bijna op zit. Moeilijke jongens, met karakterproblemen. Ik had een sportwedstrijdje georganiseerd tussen hen en de jeugdbrigade van de politie. Kniebuigingen, opdrukken en een zelfbedachte concentratieoefening: driehonderd tellen op je hoofd staan. De jeugdbrigade kwam tot de vijftig, mijn jongens boven de driehonderd. Ik train ze voor de duizend, zevenhonderd kniebuigingen van negentig graden – squats– en driehonderd keer opdrukken, achter elkaar. Ik train mee, want een voorbeeldfiguur moet zelf ook in shape zijn.” 

‘Ik train mee, een voorbeeldfiguur moet ook in shape zijn.’

Fiets beloofd
Martina groeit op in Curaçao als tweede van een sportief gezin van negen kinderen. Breed hebben ze het niet. “Als kind wilde ik meer bereiken dan de mensen in mijn omgeving, maar ik had het gevoel dat ik niet werd begrepen. Ik werd ook het hardst aangepakt. Als ik iets verkeerd had gedaan, gooide m’n vader stenen naar me.” Al Norvin's vriendjes krijgen na de basisschool een fiets, want de middelbare school staat zo’n acht kilometer verderop. Norvin verheugt zich op het beloofde exemplaar, maar als het zover is, kunnen zijn ouders hun belofte niet nakomen. Het hakt er diep in bij de kleine Norvin, maar al gauw besluit hij van de route naar school een trainingsparcours te maken. Hij blijkt een getalenteerde hardloper. “Toen de diensttijd aanbrak, werd me aangeraden beroepsmilitair te worden. Ik ging in Nederland bij de mariniers waar ik door het vele hardlopen de beste conditie had van mijn klas.”

Vier keer eigen gewicht
In 1982 is Norvin Martina de eerste Nederlander die op een wereldkampioenschap powerliften een medaille haalt, in München. Trots: “Powerliften bestaat uit drie onderdelen: kniebuigen, bankdrukken en deadliften. Bij deadliften buig je door je knieën en trek je zonder stilstand de halter in je lies, met gestrekte rug. Tijdens een training heb ik eens driehonderd kilo getild. Daarmee ben ik de enige Nederlandse powerlifter die ooit vier keer zijn eigen gewicht heeft getild. Toen ik nog geen christen was, gebruikte ik doping en lukte het me niet. Na mijn bekering lukte het wel, clean. God heeft me geholpen. Het tillen van die loeizware gewichten vereist mentale kracht. Ik pep mezelf op door gromgeluiden te maken. Grrmmm… Vroeger kon ik die kracht ook oproepen, bijvoorbeeld als mijn moeder boos werd, maar toen gebruikte ik het om dingen kapot te maken.”

Leegte vanbinnen
“Ik hoorde bij de wereldtop van het gewichtheffen. Voor een kleurling was dat een keiharde wereld, vol jaloezie en racisme. Ondanks dat ik zes keer Nederlands kampioen was, tweede van Europa en derde van de wereld, voelde ik een leegte vanbinnen. Naast mijn sport werkte ik als beveiligingsbeambte bij Shell in Den Haag. Op een avond, nu 33 jaar geleden, kreeg ik een folder in handen van een pinksterkerk in Rotterdam, ‘De Ark’. Toen ik later in een kroeg zat, vond ik het terug in mijn jaszak. Het adres stond erop en ik bezocht de kerk. Daar kwam ik in aanraking met God, vooral door de woorden: ‘Verlustig u in de Here, dan zal Hij u geven de wensen van uw hart’, psalm 37 vers 4. Daarmee is mijn verandering begonnen. Door mijn jeugd was mijn hart gepijnigd, dus die tekst raakte me. Ik proefde iets van de aanwezigheid van de Heilige Geest, en dat bracht me rust en vrede. Tot die tijd was mijn huis van de buitenkant prachtig, maar vanbinnen was het een rommeltje. Tegenwoordig zie ik bij gevangenen en verslaafden aan de buitenkant hoe het er vanbinnen voorstaat, God heeft me er een geestelijk oog voor gegeven. ‘Ik zie woede in jou’, zeg ik bijvoorbeeld, en het klopt altijd.” 

Door het dal
Na de Olympische Spelen van 1988 krijgt Martina een baan als beveiligingsinspecteur in Curaçao. Twee jaar later gaat het bergafwaarts met het bedrijf en krijgt hij een ontslagbrief. “Het mooie was dat God mij al had verteld dat ik die brief zou krijgen. Hij zei: ‘Beklim de Seaquariumberg’. Daar aangekomen: ‘Dit wordt een woestijntijd voor jou’. Dat klopte. Ik was mijn baan kwijt, maar ook het prachtige huis en de auto die bij de baan hoorden. Waarom liet God me überhaupt naar Curaçao komen, dacht ik vertwijfeld. Veel later zou ik begrijpen dat Hij deze periode gebruikte om mij klaar te stomen voor het werk in de gevangenis. Op de berg zei God: ‘Ik zal een deur voor je openen die niemand sluiten kan’, Openbaringen 3 vers 8, ‘maar je bent nog niet klaar. Ik ga je voorbereiden’.” De kapelaan komt op dreef, zijn armgebaren worden weidser. “Tot die tijd dacht ik dat het leven van de ene bergtop naar de andere gaat, maar op die berg leerde ik dat je eerst door het dal moet. Daar leerde ik op God te vertrouwen.”

Verkrachters en moordenaars 
Een invloedrijke man die onder de indruk is van Martina’s sportprestaties regelt een baan als sportleraar voor hem in de Bon Futurogevangenismet vijfhonderd gedetineerden. “Toen ik begon, stond deze gevangenis op de zwarte lijst; er zaten verkrachters en moordenaars en het was er een rotzooi. Bepaald geen hotel zoals in Nederland; soms zaten er zestien zware jongens in één cel. In blok 2 en 6 zaten moordenaars die ín de gevangenis met steek- en vuurwapens anderen hadden omgebracht. Daar moest ik vaak naartoe, zonder portofoon of bewaking. Ik ging op de grond zitten, de grootste boeven luisterden naar het Woord. Of ik niet bang was? Nee, God gaf me innerlijke rust. ‘Zelfs al ga ik door een dal van diepe duisternis, ik vrees geen kwaad want Hij is bij mij’. Dat Godsvertrouwen had ik in mijn woestijnperiode geleerd.”

Plasje water
“De sportlessen begon ik met de Bijbel en gebed. Later startte ik bijbelstudies, waarbij we zongen. ’s Morgens hoorde je dus in alle zestien blokken hoe de Heer werd geprezen! Het personeel verklaarde me voor gek, maar al gauw zagen ze de gedetineerden veranderen. Ze begonnen elkaar te helpen, leenden spullen uit en het geweld nam af. Welk Bijbelgedeelte favoriet was? De geestelijke wapenrustig Gods, haha! Ik zei vaak: ‘Met een pistool kun je geen boze geesten doodmaken, maar met het Woord van God wel!’ Ze kenden de donkere wereld, en ik kwam het licht brengen. Ik gebruikte altijd praktijkvoorbeelden. ‘Het licht is sterker dan de duisternis’, zei ik. ‘In het donker hoef je maar een kaars aan te steken en de duisternis verdwijnt’.  

In blok 7b zag ik op een dag een plasje water. Dat was daar niet vreemd, maar God zei: ‘Dit wordt een zwembad waarin je gedetineerden gaat dopen’. Ik vertelde het niemand, ze zouden denken dat ik geflipt was! Voor de eerste doopdienst, in 2002, hebben we 67 gedetineerden gedoopt. Het stond in alle kranten, nog nooit eerder had er een zwembad in een gevangenis gestaan. De eerste dopeling kwam uit blok 6, het ergste blok. Nu is hij een voorbeeldfiguur, hij werkt bij een grote krant. In 2006 doopten we 75 gedetineerden, en vier jaar later nog eens 86.”

Gedetineerde in huis
“Op een dag zei een gedetineerde: ‘Sportleider, volgende week mag ik naar huis! Maar ik wil niet terug naar mijn oude buurt, kunt u een huis voor me zoeken?’ Ik belde mijn voorganger voor advies. Hij zei: ‘Norvin, als die jongen werkelijk een volgeling van Jezus is geworden, moet je hem in huis nemen’. Dat heb ik dus gedaan, een jaar lang, met mijn vrouw en twee kinderen. Werd ik opnieuw voor gek verklaard! Wie neemt er nou een ex-gedetineerde in huis? Maar weet je: deze jongen is nu zelf een voorganger.  Ik heb geleerd om God niet alleen met woorden te dienen. Liefde mag niet bij mooie woorden blijven.”

Mens tot mens 
Martina wordt kapelaan en krijgt de leiding over de geestelijke verzorging in de gevangenis. Gedetineerden die dat willen, kunnen hem in zijn kantoortje één-op-één spreken. “Tijdens die gesprekken zei ik: ‘Wat je vertelt, breng ik alleen bij God, niet bij de gevangenisdirecteur’. Als ze over hun misdaden vertelden, schreef ik die op een papiertje. Na het gesprek verscheurde ik dat. ‘Nu kan ik het niet meer lezen, het ligt bij God’. Ik wilde hen spreken van mens tot mens, niet van mens tot crimineel, dus na het verscheuren zei ik altijd: ‘Ik spreek maar twee talen: de taal van sport, en de taal van God. Dus als jij over je verleden begint, versta ik je niet’.” 

‘Geef me één kans’
Een spannend moment beleeft de kapelaan als hij met spoed naar blok 1 wordt geroepen. Daar staat een man op een stoel, met een touw om zijn nek, politie en dokter voor de tralies. “Hij zei: ‘Als jullie de deurknop aanraken, spring ik!’. Zoals altijd had ik mijn wapen bij me, de Bijbel. Ik stak die door de tralies, keek de man aan en gaf door wat God tegen me zei. ‘Er is hier nog iemand die heel veel van jou houdt; als je dit doet, zie je hem nooit meer’. Wat bleek? Zijn broertje zat in blok 7a. De man brak en haalde het touw van z’n hals.”

Droom: een opvanghuis 
“Al jaren heb ik een droom. De droom is een brug tussen de gevangenis en de maatschappij, in de vorm van een opvanghuis. Ik heb over de hele wereld gezien dat zo’n brug wérkt. Als ex-gedetineerden uit de gevangenis komen, zijn ze vreemdelingen geworden; soms worden ze zelfs verstoten door hun familie! Maar ook ex-gedetineerden zijn door God geschapen, en als wij ze niet helpen, worden het draaideurcriminelen. Alleen: tot op heden kunnen we op Curaçao zo’n opvanghuis niet bouwen, er is geen geld. Als ik zie hoeveel opvanghuizen er in Nederland zijn, word ik toch een beetje jaloers. In 2013 ben ik met pensioen gegaan. Langzamerhand gaat het weer de verkeerde kant op in Bon Futuro, dus ze hebben me gevraagd terug te komen. Dat hoop ik te doen, ook om verder te bouwen aan mijn droom: de brug.”