Van crimineel naar 'kapitein' Jan

Hij zette zijn vriendin achter het raam, verdiende miljoenen met hasjhandel en zware criminaliteit. Jan Corsius (57) slikte, spoot en snoof alles wat voorhanden was. Tot hij de Bijbel opensloeg. De ‘grote jongen’ werd klein, leerde huilen en vergaf zichzelf.

Gepubliceerd: 16 mei 2017 in Geloven Tekst: Galiëne Gerritsen Beeld: Milan Vermeulen

Daar stond hij dan, naast de auto. Bijna Den Haag uit, lekke band. Prompt stopte er een motoragent. “Zal ik even helpen? Hier, een krikkie, hou vast. Hup, band eraf. Zo. Thuiskomertje erop, hup. Moertjes aandraaien. Een, twee, drie, vier. Rijden maar. Fijne dag nog!”Jan: “Dat was raar voor mij hoor, zo’n ervaring. Heel raar. Jarenlang zat de politie je op de hielen en moet je maken dat je wegkomt zodra je iets in die kleuren zag. Nu stond er eentje naast me, hielp me en wenste me nog het beste toe ook. Ik ben op de stoep gaan zitten en heb eerst even God bedankt.”

Trillende vork

Geef Jan Corsius een zetje en hij houdt niet meer op met praten. In plat Haags, met brede armgebaren en een schaterende lach, brengt hij beelden tot leven die doen denken aan een spannend jongensboek. Maar zo romantisch was zijn leven niet. Hij groeide op in Transvaal, de ‘slechte wijk’ van Den Haag in de jaren ’60. Zijn vader alcoholist, zijn naaste familie prostituee of pooier in de Doubletstraat om de hoek. Geld was er altijd. Hij poetste de Mercedes van z’n neef voor 25 gulden. “Een vermogen voor een jochie van 12. Maar voor mij de normaalste zaak van de wereld.”

Ook geweld was gewoon. “Tijdens het eten werd m’n vader nog wel eens kwaad. Meer dan eens had ik een vork trillend naast mijn bord in de houten tafel staan.” Rode lampjes hoorden bij de straatverlichting. Hij ging mee naar de peeskamertjes en bleef op de gang wachten tot het klaar was. Maar tegelijkertijd was hij een kind zoals de anderen, dat op kerstbomenjacht ging om met oudjaar te helpen het grootste vuur te maken. Of hij door had wat er aan de hand was? Hij denkt van niet. “Ik verstopte me voor die indrukken, ik zag het niet.”

Verraad

Op z’n zestiende trad hij in de voetsporen van z’n neven. Hij ging als slager werken in Duitsland, maakte muziek in kroegjes en versierde meisjes. Z’n derde vriendin, Petra, was de eerste die hij verkocht. Aan vrienden. “Ik had een kijkgaatje in de deur gemaakt om de boel een beetje in de gaten te kunnen houden.” Met Petra kwam ook de hasj op tafel. Later kwamen daar heroïne bij, LSD, cocaïne, opium. Hij introduceerde de Hasjtaxi in Nederland: klanten konden van een soort menukaart kiezen uit twaalf soorten hasj en wiet, waarna hij de bestelling leverde. Een lucratieve business waarmee hij goed geld verdiende. Maar daar bleef het niet bij. Hij handelde in van alles, pleegde overvallen, zette kraken. Alles wat hij pakken kon, ging mee. Steeds meer, met steeds zwaardere criminelen. “Als ik een tip kreeg dat er ergens kilo’s hasj lagen of een hoop geld, pakte ik m’n wapen en ging erop af. Ik was voor niemand bang.”

Een junk verlegt voortdurend zijn grenzen, hij maalde nergens meer om. “Uiteindelijk heb ik zelfs mijn eigen moeder verraden.” Na een overval verkocht Jan een deel van de buitgemaakte briljanten aan zijn moeder. Toen de politie hem te pakken kreeg voor een ander akkefietje, ‘hielp’ hij hen de overvalkwestie op te lossen, in ruil voor z’n vrijlating. “Ik ben laag gegaan.”

Op een donderdag werd hij wakker in de laadruimte van een vrachtauto. Hij kon zich alleen nog herinneren dat hij drie dagen daarvoor een shot heroïne en cocaïne tegelijk had genomen. “Daar bedacht ik: wat is mijn leven nutteloos, wat stelt het voor?”

Aftroeven

Ed Dijkhuizen, een oude vriend met losse handjes en een carrière in de criminaliteit, hing aan de gewichten in de sportschool terwijl hij vertelde hoe hij gelovig was geworden. Jan: “Hij hield er maar niet over op, telkens kwam hij weer met bijbelteksten op de proppen. Ik werd er gek van. Ik zeg: ‘Ed, als je nu je kop nie hou over die Jezus, doe ik je wat’.”

Thuis bedacht Jan een ander plan: hij zou die bijbel ook eens gaan lezen, kijken of hij zijn vriend kon aftroeven met kennis over de teksten. Dat pakte anders uit. “Ik moest blijven lezen, dag en nacht door. Ik vond het zo mooi wat er stond, zo aansprekend en verzachtend.” De Bijbel liet hem niet meer los, en zelfs van Eddie’s verhalen kon hij geen genoeg krijgen. Er brak iets. “Een crimineel duwt emoties weg, agressie overwoekert elk gevoel. Geduld, vergevingsgezindheid, voor mij bestond dat niet.” Door de bijbelverhalen en de gesprekken met Eddie leerde hij iets voelen bij de liefde van God, bij het onderscheid tussen goed en kwaad. Hij zag in dat erkenning van fouten het begin van vergeving inluidt. “Ik zag mezelf door Gods ogen, wat ik deed, wat ik anderen had aangedaan, wat anderen mij hadden geflikt. En ik kon alleen maar janken.”

Kapitein Jan

Tranen zijn een goed medicijn, zegt Jan nu. Ze maken hem milder. En vergevingsgezind. “Mild zijn, dat is levenskunst. Ik moet het bijna elke keer opnieuw leren.” Hij moet ook zichzelf vergeven, anders komt hij niet los van de wroeging, denkt hij. Want natuurlijk voelt hij die. Spijt? “Zonder deze ervaring zou ik nu niet doen wat ik doe bij het Leger des Heils. Dus nee, dat niet. Maar ik hoef het leven van toen niet meer terug.”

Soms krijgt hij nog ‘een zaakje’ aangeboden, hij heeft nog steeds contact met oude vrienden. Ze noemen hem Kapitein Jan, samen kijken ze voetbal. “Maar ik laat me niet meer verleiden tot hun zaken. Ik wil niet meewerken aan verslavingen, ik weet hoe erg dat is.” Kort na zijn bekering liet hij zich dopen. Hij kickte af van de drugs en brak met zijn oude leven. Hij meldde zich bij het Leger des Heils met de woorden: ‘Hier ben ik, gebruik me maar’. Sindsdien schenkt hij soep en koffie aan verslaafden in de dagopvang. Zo liep hij vorig jaar Aadje tegen het lijf, bassist en ex-dakloze. Ze speelden wat samen, Aadje gitaar, Jan piano, en kwamen op het idee een studio in te richten waar daklozen met elkaar muziek kunnen maken. Zo ontstond het project Plug & Play, een plaats waar iedereen die een instrument speelt, kan musiceren. Muziek ontspant, weet Jan. Het geeft mensen een gevoel van zelfrespect. En het brengt je op andere gedachten. “Doordat ik zelf een junk was, weet ik wat ze doormaken. In gesprekken daarover wil ik hen graag helpen. Ondertussen maken we muziek. Uit mezelf begin ik nooit over mijn bekering. Maar als we wat spelen en zingen, beginnen zij vaak over God. Dat vind ik mooi.”

Huilen

Op zondag bezoekt Jan nog wel eens een Haagse Volle Evangelie-gemeente waar hij geregeld het podium beklimt om publiekelijk aan God zijn schuld te belijden. Op z’n Jans: ‘Goeiemorgen Vader. Hoe gaat het? Ik wil u vertellen dat…’ Jan: “Zo ben ik, op een andere manier gaat het niet. Er zijn mensen die daar vragen over stellen of me naderhand aanstoten: ‘Moet dat nou?’ Maar laatst zei een van de heilssoldaten die ik bij het Leger sprak: ‘Als er iemand in de zaal zit die God niet kent, is het met jouw getuigenis alsof God naast diegene op de bank gaat zitten. Dichterbij kun je niet komen.’ Moest ik om huilen natuurlijk, ik vond het een mooi compliment.”

Henoch, dat is zijn bijbelvoorbeeld. Een voorvader van Noach, diepgelovig en trouw. Volgens de overleveringen iemand die door zijn nauwe omgang met God niet stierf, maar op een dag werd opgenomen in de wolken. “Henoch wandelde met God. Zo zou ik het ook wel willen”, zegt Jan. Hij denkt even na, vervolgt dan: “Misschien ben ik Henoch al wel. Ik durfde het eerst niet te zeggen, maar als mensen me naar m’n geloof vragen, zeg ik: ‘Ik wandel gewoon met God’. En schaterend: “Ik ben alleen nog niet opgenomen.”