Op de zee

Hij is bijna de hele week op de Noordzee te vinden. Lubbert Jacob Kramer (22) vangt van zondagnacht tot vrijdagavond scholvis op de kotter van zijn ooms. Niet verrassend voor een Urker jongen om in de visserij te werken; Lubbert houdt van het leven op het open water.

Gepubliceerd: 16 juli 2017 in Geluk Tekst: Willemijn de Jong Beeld: Bertina Kramer

“Mijn vader heeft dertig jaar lang op zee gewerkt. Ik ging als klein jongetje al mee in de zomervakantie – prachtig vond ik dat. Ik houd van op het water zijn. Ik heb veel last van allergieën, en daar merk ik op zee niks van. Ik ben echt liever op een schip dan aan wal. Daarbij is de visserij echt een mannelijk beroep, het is niks voor mij op de hele dag op een kantoor te zitten. Ik werk liever met mijn handen. Het onberekenbare van de zee, dat het elke keer weer een verrassing is hoeveel we uit het water halen, zorgt ervoor dat het me nooit verveelt. Vissen is avontuurlijk.”

Schol

“Elke keer als het net uit het water komt, is het spannend hoeveel schol erin zit. Hoe meer je vangt, hoe meer je verdient. Dat zorgt ervoor dat je het elke keer zo goed mogelijk wilt doen. Onze bijvangst is tarbot, een andere vissoort. Maar we vissen gericht op schol, dat is een heel lekkere vis.”

Watervrees

“Ik ben niet bang voor het water. Als klein jongetje ben ik eens bijna verdronken in het IJsselmeer. We waren aan het varen met ons gezin, toen ik overboord sloeg. Mijn vader sprong me meteen achterna, maar de stroming was heel sterk. Gelukkig kwam er een andere bootje langs. Als dat er niet was geweest, was ik er ook niet meer geweest. Je kunt zeggen dat dat een wonder is, maar het heeft me nooit watervrees gegeven. De week daarna had ik mijn zwemdiploma op zak.”

Ritme

“Het leven op de kotter heeft een heel ander ritme dan aan wal. We trekken vier uur met het net uit en halen dan twee uur de vis binnen. Je moet de vis meteen bewerken, daar ben je die twee uur meestal wel mee bezig. Tussendoor slaap je. Dat ritme gaat dag en nacht door. Ik slaap dus nooit acht uur achter elkaar door. Ik werk inmiddels drie jaar op de kotter. Zondagavond 00.00 uur, als de zondag voorbij is, varen we uit. We beginnen dan met een gebed voor de week. We bidden of we bewaard worden voor de gevaren van de zee, maar ook of we goed mogen vangen. Op Urk werken veel mensen in de visserij, dus de dominee haalt dat geregeld aan in de preek. De naam van onze kotter is Eben Haëzer – dat betekent ‘tot hiertoe heeft de Here ons geholpen’. Veel mensen op Urk zijn christelijk, ik ook, dus bidden voor je werk is hier heel normaal. Maar het is niet zo dat ik bij elke vis die ik vang bewust bedenk dat ik dat aan God heb te danken.”

Afhankelijk

“Het is ook heel grillig hoe goed we vangen. De ene week vang je bijna niks, de andere week is erovervloed. Dat ligt vooral aan de wind. Dat het werk zo afhankelijk is van het weer, maakt je misschien wel bewuster van het feit dat je als mens de natuur niet naar je hand kunt zetten. Er is een verhaal op Urk van een man met een klein houten scheepje. Deze oude Urker kwam terug van zee met één klein visje. Mensen lachten hem uit om zijn kleine vangst, maar hij zei: zelfs dit ene visje heb ik niet verdiend. Het is dan ergens wel vanzelfsprekend geworden, het vissen, maar we geloven ook dat de vangst ons wordt gegeven."