‘Sommigen vragen of ik hun auto wil zegenen als ze de poort uitgaan’

Mocht zijn bataljon daadwerkelijk de wapens ter hand moeten nemen, dan staat legerpredikant Teun de Ridder in de frontlinie. “Als je wilt dat het geloof mensen verandert, dan moet je onder die mensen zijn.”

Gepubliceerd: 11 augustus 2018 in Geloven Tekst: Wilfred Hermans Beeld: Paul Tolenaar | Ministerie van Defensie

“Tijdens de missie in Afghanistan heb ik geen vuurgevecht meegemaakt. Wel ging een wapen per ongeluk af; iemand had er zelf mee geprutst. Defensie reageert daar heel streng op, een kogel kan dodelijk te zijn. Ik stapte direct in de heli, eropaf. Dat werd erg gewaardeerd, dat er naast de commandant die de tuchtregel toepast iemand is die vraagt hoe het gaat. Want de gevolgen zijn enorm: zo’n jongen wordt gelijk teruggestuurd naar Nederland en krijgt een proces aan z’n broek. Binnen Defensie blijf je dan toch het lulletje, iedereen onthoudt het. Juist om dat stigma tegen te gaan en te laten zien dat er vergeving is, wil ik met zo’n jongen praten.”

In heli stappen normaal
Teun de Ridder (34) nipt aan z’n koffie in Ochten, waar hij woont met zijn vrouw en drie kinderen. Drie jaar is hij nu legerpredikant, in rang gelijk aan kapitein. Afgelopen jaar is hij voor het eerst op uitzending geweest, ruim vier maanden naar Afghanistan. In Nederland is hij geestelijk verzorger van 17 Pantserinfanteriebataljon, dat bestaat uit ongeveer 600 man. Daarvan ging dertig man – een peloton – mee op missie naar Afghanistan. “Bij kleinere missies is de regel dat op elke tachtig man een geestelijk verzorger meegaat; die zorg is altijd gegarandeerd. Op grotere missies kan er ook een maatschappelijk werker of psycholoog mee.”

Is het Nederlandse leven niet saai vergeleken met legerpredikant zijn in Afghanistan?  “Nee, er gebeurt hier genoeg. Meer dan tijdens een missie eigenlijk, want alle rollen die je hier hebt – echtgenoot, vader, werknemer, vriend – vallen daar weg. Je hoeft de was niet te doen en niet te koken, je kunt je volledig focussen op je werk. Net het kloosterleven. Zelfs in een heli stappen wordt na een paar maanden de normaalste zaak van de wereld, al lijkt dat heel spectaculair.” 

Hoe zag een normale week eruit? “Gevarieerd. Aanvankelijk had ik een stapel boeken meegenomen, want ik dacht: hoe druk kun je zijn met slechts honderd man? Maar ik had genoeg te doen. Elke vrijdagochtend hield ik een laagdrempelige bezinningsdienst, met zo’n dertig geïnteresseerden. Daarnaast begeleidde ik militairen individueel. Als ze thuis problemen hadden, vonden ze het fijn daar over te sparren. En met honderd man op een kluitje kun je wachten op strubbelingen. Als onafhankelijke mediator kon ik op een frisse manier naar zo’n conflict kijken en mensen weer met elkaar in gesprek brengen.” 

Nooit Champions League spelen
“Een deel van mijn taak is ook militairen motiveren. We zitten in Afghanistan om de locals te helpen hun politie- en legermacht op poten te zetten. Werk met relatief weinig risico. Dat is voor veel militairen frustrerend: ze hebben leren vechten, willen laten zien hoe goed ze zijn. Ze oefenen zeg maar voor de Champions League, maar mogen ‘m nooit spelen. Bovendien doen de Afghanen vaak maar weinig met de gekregen adviezen, mede door corruptie en vriendjespolitiek. Al gauw dringt de vraag zich op: wat doen we hier nog? Ik stimuleer de militairen dus om zich desondanks te geven, te kiezen om hoop voor Afghanistan te hebben. Ik leg ook uit dat er aan álle relaties die je aangaat met mensen om je heen een risico kleeft dat je teleurgesteld wordt, dat de liefde die je geeft niet terugkomt. Als ik militairen daar op wijs, gaan ze het ook zien.”

Zit jij ook niet met diezelfde vraag: wat doen we hier? “Nee, en dat heeft te maken met deze diepgaande, achterliggende vraag: doe ik alleen het goede als ik zeker weet dat het nut heeft, of kan ik ruimhartiger zijn? Ik heb gezien dat het christelijk geloof daarin het verschil maakt. Je kunt veilig in je basiskamp blijven en af en toe naar buiten gaan om de Afghanen te vertellen hoe het moet, maar dat zal weinig impact hebben. Liever kijk ik naar Gods beweging richting ons; er verandert pas écht iets als Hij Zelf afdaalt uit de hemel en het risico loopt om gedood te worden. Dat is ook mijn motivatie om bij Defensie te werken en niet veilig op een preekstoel te blijven staan. Als er oorlog zou uitbreken, wil ik ook in de frontlinie zijn. Juist dan hebben militairen me nodig, dan zijn het mensen die vrezen voor hun leven.”

Onder de mensen zijn is dan ook de enige manier waarop het geloof mensenlevens kan veranderen, stelt Teun. “In de kerk blijft er toch een zekere afstand, dat ervaar je als je op een preekstoel staat. Gemeenteleden die ik echt face-to-face sprak, waren vooral de probleemgevallen. Dat vond ik het moeilijke aan gemeentepredikant zijn, terwijl ik als legerpredikant mijn honderd man fulltime zag. Dat is totaal verschillend dan op zondag letterlijk vanuit de hoogte tegen mensen aanpraten zonder te weten hoe hun leven eruitziet en wat ze bezighoudt.” 

Hoe zorgde je voor aansluiting bij de militairen? “Eerst heb ik me in hun muziek verdiept. Voor de bezinningsdiensten volgde ik het format van The Passion: popliedjes een dubbele bodem meegeven, passend bij het gekozen thema. Leonard Cohen, Stef Bos, The Common Linnets, Ed Sheeran. Als liefhebber van klassieke muziek was ik daar niet in thuis. De meest hippe muziek die ze luisteren – dance, techno – heb ik overgeslagen.” Lachend: “Echt afschuwelijk! Qua bezinning kan ik daar ook niks mee. In plaats van dat we een psalm aanhieven, drukte ik dus op play en schalde Ed Sheeran uit de speakers. Verder las ik altijd een bijbelgedeelte, en hield ik een mijmering van vijf tot tien minuten, bij wijze van preek.”

Kwetsbaarheid
“Met kerst was het thema ‘Kwetsbaar en krachtig’. Ik vertelde dat het kerstverhaal laat zien dat echte kracht gelegen is in kwetsbaar durven zijn. Ik las uit Lucas 2: keizer Augustus als wereldheerser aan de ene kant, tegenover het kindje Jezus dat in een stal wordt geboren. De commandant der Strijdkrachten – de hoogste Defensie-baas – zat toevallig op de voorste rij. Defensie is een machtsorganisatie, onze kracht ligt in wapens. Militairen denken ook zo: als ik maar gespierd ben en stoer rondloop, dan stel ik wat voor. Toch merkte ik na die dienst dat het ze aansprak, dat ze hun kwetsbaarheid lieten zien. Je roept toch iets wakker. Er waren ook militairen die zeiden: ‘Als ik thuis ben, ga ik toch weer ‘s naar de kerk’.” 

‘Mensen zegen ik, materialen en wapens niet’

Wat kun je concreet voor militairen betekenen? “Ik merk dat een missie militairen afstompt. Alle dagen lijken op elkaar, alles draait om werk, je wordt niet bepaald creatief gestimuleerd. Er wordt wel over thuis gepraat, maar het past niet binnen de cultuur om toe te geven dat je iets moeilijk vindt. Zo’n bezinningsdienst is bij uitstek een gelegenheid om bij iets anders dan je werk stil te staan, bij je eigen gevoelens te komen. Het biedt ruimte voor kwetsbaarheid. Ik vroeg altijd iemand om een favoriet liedje aan te leveren en daar iets bij te vertellen. De meest ontroerende verhalen kwamen los, over sterfgevallen, relatieproblemen, geliefd zijn. Tot die tijd hield iedereen zich groot, maar zulke verhalen braken iets open. ‘Oh, dus jij bent ook weleens onzeker?!’."

Lijntje met God
“Als legerpredikant kan ik meer dominee zijn dan ik in een gemeente ooit ben geweest. In de kerk lijkt het soms op productie draaien: preken, catechisaties, kringen, bezoekjes. Terwijl: als er nu iemand bij me binnenloopt met de vraag of ik even tijd heb, zeg ik: ja, alle tijd. Ik heb het idee dat sommige militairen denken: misschien heeft ‘ie wel een lijntje met God. Is natuurlijk ook zo, haha! Sommigen vragen of ik hun auto even willen zegenen als ze de poort uitgaan. Doe ik niet. Mensen zegen ik, materialen en wapens niet, dan wordt het magie. Ik bid wel voor ze. Kwamen ze terug in het kamp: ‘Nou, het ging goed vandaag’. ‘Ja, ik heb ook voor je gebeden’, zeg ik dan. Dan zie je ze kijken: meent ‘ie dat nou? Ze waarderen het enorm.”