Slapen in een sporthal vanwege corona

Lucien de Jong (30) werkt in de noodopvang in een sporthal in Amsterdam. Hij begeleidt de mensen die hier slapen en zet ondertussen een nieuwe sporthal-locatie op. De locatie wordt samen met het Rode Kruis en HVO-Querido gerund. Hoe is het voor Lucien om hier in 'coronatijd' te werken?

Gepubliceerd: 10 april 2020 in Samenleving Tekst: Willemijn de Jong Beeld: Gerritjan Huinink

Lucien: “Normaal gesproken werk ik op de opvang van het Leger aan de Transformatorweg. Daar zou tot 1 april de winterregeling van kracht zijn, dan mag iedereen daar binnen slapen, zeg maar. Na 1 april wordt het dan een 24-uursopvang voor daklozen met recht op verblijf. Op dit moment loopt alles natuurlijk anders. Omdat we mensen niet meer zo dicht op elkaar mogen zetten, is de noodopvang in de sporthal geopend. Er staan nu honderd bedden, maar vanaf morgen denken we dat het hier vol zit, en daarom zijn we bezig met het opzetten van een nieuwe locatie in een andere sporthal.”

Honderd veldbedjes

Lucien is sinds de start bijna continu aanwezig geweest op deze locatie. Het is stevig aanpoten. “We hebben als een malle een soort incheckbalie gemaakt, en een garderobe. Twee kleedruimtes zijn omgebouwd tot bagageruimte en visitatieruimte, zoals wij dat noemen. Daar worden mensen die binnenkomen met zo’n scanstok gecheckt op drank of wapens - want dat mag natuurlijk niet naar binnen. De andere ruimtes zijn toilet- en doucheruimtes.”

In de sportzaal staan honderd veldbedjes van het Rode Kruis opgesteld. “We hebben ze meteen 1,5 meter uit elkaar gezet. Dat moest allemaal snel-snel. Toen de GGD een paar dagen later kwam checken, moest daar nog wel het een en ander aan worden aangepast. We hebben met tape nu een soort hokjes van 3 bij 3 op de grond gemaakt, mensen moeten daarbinnen blijven. Ook heeft het Rode Kruis nog tafeltjes en stoeltjes geregeld voor naast het bed." 

Geen spelletjes

Mensen moeten hier binnen dus in hun eigen gedeelte gaan zitten, en niet gezellig bij elkaar voor een spelletje. “Dat is best lastig. Normaal gesproken stimuleer je op een opvang juist om nog even met elkaar te gaan dammen. Je zit hier in een sporthal, het basketnet hangt al klaar en dan is het heel jammer dat ze nu juist niet mogen sporten. Ik betrap mezelf er ook nog wel eens op. Dat ik een idee krijg om ze bezig te houden, maar dan meteen denk: o nee, dat mag natuurlijk niet. Ik heb eerder bij Vluchtelingenwerk gewerkt, en nu kopieer ik uit een boek van toen nog wat Nederlandse lesjes. Die leg ik op de tafel klaar voordat we open gaan. We hebben ook boekjes met sudoku-puzzels geregeld. Het is belangrijk om mensen bezig te houden, anders vraag je om problemen. Ze zitten hier op elkaars lip, maar mogen tegelijkertijd niks leuks met elkaar doen.”

De sfeer is nu nog goed, vertelt Lucien. “Ik denk wel dat het geen maanden moet gaan duren, want dan zal de sfeer wel opgefokt worden. Ze raken geïrriteerd en storen zich aan elkaar. Zoveel mensen in één ruimte laten slapen, dat is voor geen mens goed. Er zijn er een paar die bang zijn voor het virus, maar de meesten niet. Die zien het vooral als extra regels die worden opgelegd. Er gaan onderling trouwens wel verhalen rond dat we hier corona zouden hebben. Dat klopt nog niet, we hebben twee mensen bij de GGD laten testen, maar die bleken het allebei niet te hebben. Zodra mensen klachten hebben, komt de GGD ze wel halen. Als ze dan positief worden getest, gaan ze naar quarantaine-ruimtes. Dat zal in de toekomst nog wel gebeuren, denk ik.”

Het voelt dubbel

Lucien is niet bang voor zijn eigen gezondheid, ook niet nu hij met zoveel mensen in contact komt. “We houden ons hier natuurlijk streng aan de regels en dat probeer je op de mensen die hier verblijven over te brengen. Als mensen met de regels gaan sollen, krijgen ze hier ook een uur een time out. Aan schorsingen beginnen we niet, dat vinden we niet ethisch. Maar ja, het is dus doen wat je kan. Hier zijn ook wel oudere mensen die stevig roken of drinken. Zelf denk ik dat ik het virus misschien al eerder heel mild heb gehad, zonder te weten dat dit corona was. Verder komt hier twee keer per week een werelddokter om mensen te checken.”

’s Ochtends om half tien moeten de mensen van deze opvang de straat weer op. “Ze mogen hun eigen bedje hier wel behouden als ze hier langer dan een nacht slapen. Maar hun bagage gaat mee naar buiten. Het voelt dubbel. Ik hou ze het liefst binnen, maar hierbinnen is natuurlijk ook niks te beleven voor deze mensen. En die 1,5 meter afstand wordt dan een nog grotere uitdaging. De meeste van hen kunnen ook nog naar een inloophuis overdag. Maar ik denk dat op straat zijn misschien nog het veiligste is.”

Nog een sporthal

Lucien vertelt hoe de mensen deze plek weten te vinden: “De nieuwe mensen die nu binnenslapen maar eerder elders verbleven, worden door het veldwerk op straat doorverwezen naar hier. We denken dat er de komende tijd meer Oost-Europeanen op straat belanden die anders werden gehuisvest door hun werkgever. Zij kunnen niet gemakkelijk terug natuurlijk, dus die vinden we dan op straat en in parken. Vanavond gaat de tweede sporthal open, die zal dan ook wel snel vol zitten.”

Lucien en zijn team moeten hard werken, maar dat vindt hij niet erg. “Het is mooi om dit te kunnen doen. Er zijn genoeg mensen die vergeten dat er zoveel mensen helemaal geen thuis hebben. Voor die mensen moeten we nu doen wat we kunnen. Dat geeft ook voldoening. Ook al is dit nu het minste wat we kunnen doen natuurlijk. Ze hebben eigenlijk allemaal gewoon een huis nodig.”

"Voor hen voelt een opvang meer aan als een thuis, als ik het ook mijn thuis laat zijn."

Welke uitdagingen ziet hij in zijn werk na de coronacrisis? "Ik wil mensen blijven helpen om weer gezien te worden. Het mooie aan dit werk is dat je ook heel erg jezelf kan blijven. Mensen die alles hebben verloren, prikken ook door maskers van anderen heen. Hoe dichter je bij de mensen staat, hoe beter het is. Ik kan hier gewoon benaderbaar en menselijk zijn. Welterusten zeggen voor ik na mijn dienst naar huis ga. Voor hen voelt een opvang, hoe ver dat ook afstaat van wat ze verdienen, meer aan als een thuis, als ik het ook mijn thuis laat zijn."

Eerder werkte Lucien bij Vluchtelingenwerk. Hulpverlenen is op zijn lijf geschreven. “Ik vind het fijn dat ik bij het Leger des Heils met veel verschillende doelgroepen kan werken. Als mensen bij ons binnen komen, kan ik hen stapje voor stapje terug in de maatschappij helpen. Van noodopvang naar 24-uursopvang en uiteindelijk weer naar een woning. Het is wel frustrerend om te zien dat dat proces zo lang duurt, terwijl het niet aan de mensen zelf ligt. In de tussentijd probeer ik zoveel mogelijk naar iemand te luisteren en te ondersteunen. Dat wij aandringen bij instanties voor hen, opkomen voor hun rechten en ook aan de alarmbel trekken bij de overheid, is het minste wat we kunnen doen.”