Rust in je hoofd en boerenkool in je handen

Marianne werkt in de 50|50 Green moestuin. Deze dagbesteding van het Leger des Heils is heel belangrijk voor haar.

Gepubliceerd: 16 november 2016 in Geluk Tekst: Willemijn de Jong Beeld: Willemijn de Jong

Marianne (50) zit bij de moestuin van het Leger in Amsterdam Noord een sigaartje te roken. Ze werkt drie dagen in de week in de 50|50 Green moestuin, een dagbestedingsproject van het Leger des Heils. Ook Johan (51) werkt daar. Henk is creatief therapeut en begeleidt hen. De mensen die bij het Leger des Heils wonen, hebben vaak psychiatrische klachten en moeten soms een taakstraf uitvoeren. Wat is er nou leuk aan een moestuin? En waarom is dat zo goed voor deze mensen? Marianne, Johan en Henk leggen het graag uit.

Marianne heeft een groene legerblouse over haar paarse shirt aan, daaronder een blauwe trainingsbroek en stevige werkschoenen. Een stoere vrouw, met tuingereedschap in haar borstzak. Ze loopt de tuin in. “Moet je nou kijken, wat een prachtige kleuren!" Ze wijst op een struik met groene bladeren. “Zoveel verschillende tinten groen. Ik vind het heel mooi om daarnaar te kijken.” Vijf jaar al komt Marianne in de tuin. Zeven jaar geleden kwam ze terug uit Amerika. “Via het instroomhuis kwam ik bij De Haven van het Leger des Heils. Ik woon nu in een eigen woning via het Leger. Maar wel ver bij deze tuin vandaan, daar baal ik enorm van. Ik moet hier makkelijk kunnen komen, want ik ben hier drie dagen in de week.” Marianne geniet van het bezig zijn, de kleuren in de tuin, en lekker buiten werken. Daarom is de moestuin heel belangrijk voor haar. Op de vraag wat ze zou zijn zonder de moestuin, blijft ze even stil. “Ja, dat is geen goed idee. Dan zou ik maar alleen thuis zitten. Je wilt toch wat doen en onder de mensen zijn. Ik wil buiten komen.”

Een kleine krop

Marianne moet vandaag schoffelen en snoeien. Ze wijst naar de gewassen en noemt ze bij naam. “Je kan soms wel even je eigen ding doen hier. En je leert van elkaar, dat is fijn. Het is niet dat Henk de baas is ofzo, ik ben niet bang voor hem. As ik tussendoor effe een peukie doe, zegt hij juist ‘ik ben blij dat je even zit’.” Marianne wijst naar de pompoen. “Snij 'm in stukken, even een beetje bakken en dan in een glas melk. Heerlijk.” De palmkrop ernaast is een variant op de boerenkool. Volgens Marianne moet je die wokken. Ze gebruiken bio-korrels tegen slakken, maar het helpt niet altijd. Sommige kroppen zijn alsnog aangevreten. Ze loopt langs de aardpeer, een soort zoete aardappel. Kent ze alle gewassen hier? “Ja, tuurlijk. Ik leg vaak uit aan mensen welke krop ze moeten hebben. En ik vraag even voor hoeveel mensen ze moeten koken. Als ze er geen hele week van willen eten, trek ik een kleine krop uit de grond. Ieder jaar veranderen we wel iets, dan blijft het ook leuk. De mensen die hier groenten komen kopen willen ook weleens iets anders proberen.” Een groepje paarse groenten staat in bloei. “Dit is een prachtige kleur. Moet je ook eens naar die boom kijken, die wordt helemaal rood deze herfst. Schitterend.”

Hard werken

Ook Johan vind het prima om wat te vertellen. Maar hij is wel hard aan het werk, dus hij gaat onder het praten gewoon door. Want daar wordt op gelet, vertelt hij. “Ik heb al jaren ervaring in de tuinbouw. En ik hou van hard werken. Weet je, als je hard werkt, kom je ook verder. Dat zien ze hier wel. Ik mag hier elke dag werken.” Johan vertelt dat hij het nodige heeft meegemaakt, het is vaak in zijn leven heel slecht met hem gegaan. “Maar het is goed voor mij om lekker bezig te zijn. Daar letten ze op, weet je.” En verder gaat hij weer met scheppen, want er ligt nog een hoop werk.

Een fantastische maïskweker

Het is inmiddels lunchtijd. Henk zit in de kantine. Het is duidelijk dat de werkers dol zijn op hem. “Dit zijn stuk voor stuk mensen met een licht verstandelijke beperking. Ze kampen met trauma’s en problemen, waarbij hulpverlening aan een bureau vaak niets oplost. Deze jongens moeten gewoon lekker iets te doen hebben wat hun leven invulling en zin geeft.” Hij loopt een stukje de tuin in, zet een bordje recht. Henk is duidelijk in zijn element met deze tuin en deze mensen. “Als deze jongens (en soms ook meiden) hier komen, zit het in hun systeem dat ze niets kunnen. Want het zijn de zware gevallen hoor, die hier werken. Dat is ook wat bijvoorbeeld Johan dan tegen me zegt: ‘weet jij wel wat mijn problemen zijn’. Dan antwoord ik eerlijk: 'Daar kan ik je niet mee helpen, jongen. Maar ik heb een tuin, je kunt míj wél helpen. Aan het begin voelen veel jongens zich te stoer voor zo’n tuin. Maar dat verandert langzaam. Het is belangrijk dat ze positieve aandacht krijgen. Je geeft ze respect voor wat ze wél kunnen. Eén van de jongens was verantwoordelijk voor de maïs. Hij ging er helemaal in op. Maar vervolgens begon hij de maïs ook zelf te verkopen. Toen zei ik: 'nee, dat kan niet. De tuin is van het Leger, dus het geld wat we ermee verdienen ook'. Hij stopte uiteindelijk met zelf maïs verkopen doordat ik begrip had voor hem; ik snapte dat de tuin voelde als van hemzelf. 'Je bent een fantastische maïskweker', zei ik. Dat was eigenlijk alles wat hij wilde horen.”

Verbinding

De nadruk op wat deelnemers wél kunnen, in plaats van wat hen níet lukt, wordt bij het Leger des Heils ‘herstelgericht werken’ genoemd. Niet dat deze doelgroep ooit echt zal herstellen, volgens Henk. “Maar dat hoeft ook niet. Je kunt iemands leven op een heel eenvoudige manier beter maken. Hier mogen ze leren. En de stoere jongens zeggen dan na een paar dagen in de tuin: ‘zeg, dat sla-plantje wordt opgegeten door rupsen, moeten we daar niet iets aan doen?’ Ze gaan om de tuin geven. Door de verbinding met wat ze verbouwen, krijgen ze ook weer verbinding met zichzelf. Dat klinkt wat zweverig misschien, maar dat is wel wat ik hier zie gebeuren. Je hoort bij een groep, je krijgt verantwoordelijkheid, en dan blijk je ook nog iets te kunnen. Zo’n tuin verzorgen betekent jezelf verzorgen. Ik vind het prachtig om daar getuige van te zijn.”