Practise what you preach

Jan draagt een toga. Zowel als advocaat als dominee. Wat hebben die twee banen met elkaar te maken?

Gepubliceerd: 03 augustus 2017 in Recht Tekst: Willemijn de Jong Beeld: Margriet Alblas

Jan de Visser werd met een omweg advocaat. Zijn lange CV leidt hem vanuit militaire dienst via onderwijzer in het basisonderwijs en leraar Nederlands naar een doctoraal in de Letterkunde. In 1991 besluit hij theologie te gaan studeren aan de Universiteit van Utrecht en volgt hierna een predikantenopleiding. Dan wordt hij dominee. Terwijl hij dominee is, begint hij een cursus over Rechten, wat uitloopt op een bul in de Rechten in 2003. Hij staat dan als dominee in de gemeente Maassluis, tot er aan hem wordt gevraagd of hij wethouder wil worden voor de CDA. Wat is nu eigenlijk zijn roeping? 

Gods vertegenwoordiger

“Het is misschien wat raar verwoord, maar voor mij is ‘practise what you preach’ een belangrijk uitgangspunt. Ik wilde dingen veranderen in mijn woonplaats. Daar had ik jaren over kunnen preken, maar ik moest het ook dóen. Is er een verschil tussen een kerkelijke en maatschappelijke taak? Misschien niet. Ik besloot om wethouder te worden. Daar snapte de pastoor uit mijn gemeente niets van. Als je dominee bent, ben je Gods vertegenwoordiger. Hoe kan dat nu naast de preekstoel? Het haalde de landelijke media: een dominee die wethouder wordt. Toen ik een aantal jaren later stopte met het werk voor de gemeente, belde een vrouw uit Den Haag die me vroeg: ‘Je hebt jaren geleden mijn zoontje gedoopt. Wil je een maatschap met mij beginnen in Den Haag?’ Dat is inmiddels tien jaar geleden. Die vrouw was Lucardi van Lucardi & Visser Advocaten.” 

Ik ben geen therapeut

In die tien jaar als advocaat is Jan het preken niet verleerd. Hij gaat regelmatig voor in kerkdiensten. Bijvoorbeeld in de Laurenskerk in Rotterdam. “Dat is een walhalla voor me hoor. Zo’n prachtige kerk, een prachtig orgel, steengoede organist.” Waar voor Jan de de overeenkomst te vinden is tussen het recht en de theologie zit 'm volgens hem in het woord: Godsgeleerdheid en rechtsgeleerdheid eindigen beiden op ‘geleerdheid’. Dat staat voor een bepaalde wijsheid in het omgaan met wat je meemaakt. De retorica – de kunst van het spreken – is het dwarsverband tussen mijn liefde voor de taal, theologie en het recht.” Als advocaat helpt hij ‘de gewone man’. “De mensen die minder dan modaal verdienen. Ik ben hun steun en toeverlaat in juridisch lastige kwesties. Ik ben hier meer pastor dan in de pastorie. Als mensen besluiten om te gaan scheiden, leggen ze hun hele lief en leed hier op de tafel. Dat wekt een vertrouwensband. Mensen moeten alles kunnen vertellen. Het gaat soms over dingen waar je je beste vriend niet naar vraagt – je inkomen, je seksleven. Maar ik ben geen therapeut. Ik help mensen juridisch, feitelijk.” 

Zijn dominee-zijn werkt volgens hem door in de rechtszaal. “Ik ben niet geheimzinnig over mijn geloof, maar ik adviseer vanuit de Nederlandse wet. Dat is geen groot verschil, onze wetten zijn gebaseerd op de Bijbelse normen en waarden. Zo komt het overeenkomstrecht voort uit Jezus' uitspraak: Laat uw ja ja zijn en uw nee nee. In de rechtszaal zal ik overigens niet gauw een Bijbeltekst citeren, of het moet heel passend zijn.” 

Joods recht

Maar het recht gaat ook mee de preekstoel op: “Er zitten veel juridische verwijzingen in mijn preken. Het Joodse recht vind ik heel interessant. Als ik een gelijkenis van Jezus behandel over arbeiders in de wijngaard, pluis ik helemaal uit hoe de arbeidswetten toentertijd waren.” Als Jan zijn toga aantrekt voor de foto, legt hij nog even uit wat het verschil is tussen zijn preek-toga en de rechtszaal-toga: in de kerk draagt hij een fluwelen voorpand en manchetten. Het befje bestaat uit twee enkele stroken. De toga die nu aangaat, heeft vouwtjes in de bef. “Maar als ik hierin de preekstoel bestijg, denk ik niet dat veel mensen dat zullen merken.”