‘Pa is een energieverkoper, ik heb een kapotte cv-ketel’

Wekelijks duiken Cees en Joas van Wingerden de kroeg in. Als vader en zoon, maar zeker ook als vrienden. Cees, methodiekdocent aan de Christelijke Hogeschool Ede, is christen. Zoon Joas, journalist bij GPfans, is agnost: “Je komt soms over alsof ik met 1-0 achtersta.”

Gepubliceerd: 16 mei 2019 in Geloven Tekst: Wilfred Hermans Beeld: Goed Folk

Afgelopen jaar verloor Cees (55) drie familieleden: zijn schoonzus, zijn moeder en zijn zwager. Sindsdien zijn de gesprekken met zoon Joas (26) wat oppervlakkiger geworden; hun kroegavondjes moeten nu vooral wat verlichting brengen. Liever praten ze over hun gemeenschappelijke hobby’s – vissen en de Formule 1 – maar vanavond maken ze een uitzondering en komt vooral hun verschil in levensbeschouwing ter sprake.

Cees, wat mist Joas als niet-gelovige?
Cees: “Ik heb niet de indruk dat hij iets mist, hij is een sterke persoonlijkheid. Voor mij geeft het geloof het leven zin, het helpt mij om met verlies om te gaan. Het geeft me rust dat er Iemand is die Zich met mijn leven bemoeit. Niet als een soort Sinterklaas – afgelopen jaar was bepaald geen sinterklaasfeest. Maar wat er ook gebeurt: ik ben in Gods hand, ook na dit leven. Dat haalt voor mij de druk van de ketel om het in dit leven te maken.”
Joas: “Ik sta daar hetzelfde in, zonder gelovig te zijn. Waar ik rust in vind? In mijn karakter, denk ik. Mijn levensmotto is: whatever will be, will be.”
Cees: “Dan ben ik wel benieuwd of je daar net zo relaxed in staat als je hobbels gaat tegenkomen in je leven.”
Joas: “Er zit best wat eelt op m’n ziel, hoor. Toen ik vijf was, overleed m’n broertje. Een jaar later verhuisden we en kon ik al m’n vriendjes achterlaten.”

Heeft dat er mede voor gezorgd dat je stopte met geloven?
Joas: “Ik weet sindsdien in ieder geval dat het leven ontzettend beroerd kan zijn, waardoor ik een kritische houding heb ontwikkeld. Rond mijn puberteit begon ik me te verdiepen in wetenschap, keek ik bijvoorbeeld documentaires over het ontstaan van de wereld. Op mijn achttiende heb ik gezegd: pa, ik wil niet meer naar de kerk. Dat werd niet geaccepteerd, omdat er nog andere kinderen thuis woonden die ook naar de kerk moesten. Dat ik mee moest, heeft wat er van mijn geloof nog over was geen goed gedaan.” 
Cees: “Ik waardeerde het des te meer dat je toch mee wilde gaan zolang je bij ons woonde.”
Joas: “Daar wringt het dus. Je beeldt je in dat ik zo’n lieve, meegaande reactie zou hebben gegeven. Ik liet elke zondagochtend duidelijk blijken dat ik totaal geen zin had om mee te gaan.”
Cees: “Klopt, je was superongemotiveerd, maar ik dacht wel dat je uit respect bleef meegaan.”

Joas, wat is voor jou de zin van het leven? 
“Genieten van wat je hebt en er tegelijkertijd zijn voor je medemens. Zo leven dat je door anderen geliefd wordt.”
Cees: “Daar ga ik in mee, maar ten diepste is zo’n leven zinloos; alsof je een fotoalbum creëert met prachtige plaatjes uit je leven waar je niet meer in kunt kijken als straks het lampje uitgaat. Als er voor én na dit leven niets is, is dit leven zinloos.”
Joas pulkt peinzend aan z’n baardje, niet voor het eerst. “Als het leven zinloos is, is oneindige nutteloosheid na dit leven nog veel nuttelozer.”

‘In de Bijbel staat eigenlijk: vergaar u geen schatten op aarde, het gaat toch allemaal naar de tyfus’

Cees verslikt zich lachend in z’n bier. “Typisch Jo, zo filosofisch.” Dan: “Ik geloof wel dat wat wij hier doen nuttig is, behalve wanneer het doek straks valt en er niets meer is; wat is dán het nut van je leven geweest?” Joas: “Dat vind ik nogal een depressieve levensinstelling. Alsof je vooral leeft om in level 2 te komen, want dan gaat het pas écht beginnen!” Cees, lachend: “Nee, de grap is juist: mijn leven eindigt in Christus niet. Wat ik hier doe, bepaalt mede hoe ik straks leef. In de Bijbel staat eigenlijk: vergaar u geen schatten op aarde, het gaat toch allemaal naar de tyfus, maar vergaar u schatten in de hemel.” 

Inspelen op emotie
Cees: “Stel nou dat een geliefde van ons vroegtijdig overlijdt, en er is volgens jou niets meer dan dit leven. Mij troost dan het besef dat diegene na dit leven doorleeft en we elkaar misschien weer zullen zien.”
Joas: “Dat roept wat ergernis bij me op. Het voelt als inspelen op mijn emotie, alsof ik helemaal troosteloos zou zijn als ik iemand kwijt zou raken, en daar dus tóch iets mee moet. Terwijl ik al eerder glashelder heb uitgelegd dat ik er keihard in ben: dood is dood. Dat is totaal onbegrijpelijk voor jou. Je komt soms over alsof ik bij uitstek de te verlichten persoon ben die met 1-0 achterstaat.”
Cees, lachend: “Dat ís ook zo, haha! Sorry.”

Joas: “Om een metafoor te gebruiken: pa is een energieverkoper, en ik heb een kapotte cv-ketel. ‘Moet je mijn energie hebben?’, vraagt ‘ie. ‘Nee’, zeg ik, ‘ik steek wel een krant in de fik, dan heb ik het ook warm’. Wat een achterlijke, denkt pa de energieverkoper –terwijl ik die krant helemaal prima vind.”
Cees: “Prachtige beeldspraak! Toch begrijp ik je irritatie niet helemaal. Je zou, als ik je bijvoorbeeld iets stuur over Bijbelse profetieën die ik zie uitkomen ook benieuwd kunnen zijn wat die ouwe van jou te melden heeft.”
Joas: “Jawel, al ben ik daar heel marginaal benieuwd naar. Plus: ik zou jou ook interessante lezingen van Nietzsche over ‘God is dood’ kunnen mailen; doe ik ook niet. In ieder geval speelt het totaal niet mee dat je met die mails wilt aantonen dat de Bijbel zo’n achterlijk boek nog niet is. To-táál niet.”

‘Ik heb al eerder glashelder uitgelegd: dood is dood’

Cees: “Maar ik ga niet voortdurend over je grenzen heen, toch? Anders zouden we niet wekelijks samen in de kroeg zitten."
Joas: “Zeker. Drie jaar geleden hebben we de afspraak gemaakt dat er geen evangelisatiedrive meer achter ons contact zou zitten, en zo ervaar ik ons contact ook niet.” Droog: “Dat is een heilig huisje dat we samen zorgvuldig in elkaar hebben getimmerd en waar we door dit gesprek met sloophamers tegenaan gaan.”

Tot slot, Cees: stel dat Joas opeens ziek wordt. Verandert dat nog iets in jouw houding richting hem?
Cees: “Weet je, daar kan ik niet over nadenken. Echt niet.” Opeens emotioneel: “Ik wíl daar niet eens over nadenken. Het is mijn diepste angst dat een kind van mij opnieuw iets overkomt. Dat wil ik nooit meer meemaken.” Hij herpakt zich. “Ik denk dat ik dan meer respect dan ooit zou hebben voor welke grens van Joas dan ook. Misschien word ik dan wel heel erg stil.”

Een stevige hug tussen vader en zoon. Hier komt geen verschil in levensbeschouwing ooit nog tussen. Cees: “Ik hou zo veel van die gozer, man.”