Ons leven aan God geven heeft ons rijke mensen gemaakt

Sinds kapiteins Jojanneke en Jan-Willem van Schaik elf jaar geleden officier van het Leger des Heils werden, hebben ze in Maassluis, Spijkenisse en op twee verschillende plaatsen in Rotterdam-Oost gewoond. Nu wonen ze in Almere. Als officier van het Leger woon je in huizen die van de organisatie zijn, leef je van een toelage die het Kerkgenootschap je geeft. In veel gevallen betekent dat: om de paar jaar verhuizen. Jojanneke en Jan-Willem vertellen hoe zij en hun vijf kinderen daarmee omgaan.

Gepubliceerd: 02 april 2017 in Geloven Tekst: Willemijn de Jong Beeld: Wendy Bos

"Verhuizen is een hele hoop gedoe. In- en uitpakken valt nog wel mee, maar het papierwerk dat erbij komt kijken... Hier in Rotterdam-Oost zijn we ook eens verhuisd naar een straat verder. Dat lijkt minder ingrijpend, maar de regelzaken maken een verhuizing pittig," vertelt Jojanneke. Er ligt speelgoed in de woonkamer, er tikken verschillende klokken aan de muur ("mijn vader is klokkenmaker") en overal hangen vrolijke foto's van het gezin. Het in- en uitpakken moet toch best een gedoe zijn. Haar man Jan-Willem vult aan: "Het is natuurlijk een stressvolle gebeurtenis. Je moet altijd vriendschappen achterlaten die je hebt opgebouwd. Mensen van het Leger zeggen wel eens vrolijk: 'ja, dat hoort erbij', maar misschien bagatelliseren zij het ook wel wat om ermee om te kunnen gaan. Wij vinden het heel heftig." Jojanneke en Jan-Willem zijn eerlijk over de moeilijke kant van de belofte die ze hebben gedaan aan het Leger des Heils. Ze houden het vol door de roeping die ze ervaren. "We hebben die belofte niet enkel aan het Leger gedaan, we geloven dat God zelf ons heeft geroepen om dit leven te leiden."

Roeping en loslaten

"Los van dat het verhuizen ingrijpend is, zijn we heel blij dat we nu naar Almere gaan. Het is een bloeiend, actief korps en we wonen dichter bij onze familie. En het helpt ook hoe je je opstelt: onze toekomst is in Gods hand en we leven wat dat betreft bij de dag. Je geeft je hele leven eigenlijk uit handen." Jan-Willem: "We plannen erop los hoor, wat ons werk betreft, maar het is niet zo dat je bezig bent met sparen of inschrijven voor een woonproject - die dingen spelen niet voor ons." Elf jaar geleden waren Jan-Willem en Jojanneke zich goed bewust van hun keuze. Jan-Willem: "Vijftien jaar geleden was Jojanneke verpleegkundige en werkte ik in de ICT. We hadden ons eigen huis; we hadden bepaalde toekomstplannen. Maar we konden er niet omheen dat God ons riep. Het kostte natuurlijk wel even tijd om dat vorm te geven. We hebben best wel geworsteld met gedachten als 'dat wil en kan ik niet' en 'wat moet God nou met mij'." Jojanneke: "We wisten wel: als je kiest voor Jezus, dan ga je er volledig voor. Voor ons was dat op dat moment alles geven wat je hebt. Heel radicaal eigenlijk. Zo zwart-wit hoeft het niet te zijn, maar het vraagt wel om een keuze. Je maakt je eigen verlangens en je dagelijkse zorgen ondergeschikt aan wat God van je vraagt. Dat klinkt heel zwaar en groot, maar het heeft ons echt rijkere mensen gemaakt." Jan-Willem: "Ook in dit proces, waarin het lastig is om weer te verkassen, ervaren we Gods leiding. En dat geeft rust. Soms zie je pas veel later dat een verandering goed was."

Kinderen

"We hebben het er wel eens over met de kinderen hoe het zou zijn, als we geen officier waren en een eigen huis zouden hebben, maar zij zeggen dan tegen ons: 'maar dit is wie jullie zijn'. Ze staan volledig achter ons werk. Het is ook geen baan, het is een levensinvulling. Roeping is misschien een vaag woord, maar zo ervaren we dat wel. En de kinderen hebben dat helemaal geaccepteerd." Jan-Willem: "Aan de andere kant zijn we daar wellicht wat tegenstrijdig in. Als we naar Congo zouden moeten... Dat wil ik mijn kinderen niet aandoen." Jojanneke: "Maar ik vond het ook verschrikkelijk om naar Spijkenisse te gaan. Achteraf is dat een heel gezegende tijd gebleken."

Inkomstenstroom

Jan-Willem en Jojanneke hadden al een eigen huis voordat ze officier werden, en dus ook eigen meubels. Veel spullen die nu in hun huis staan, stammen nog uit die tijd. "Je ziet wel vrienden van ons die bezig zijn om hun huis mooi in te richten. Dat doen wij ook wel, maar spullen zijn voor ons toch minder belangrijk. Natuurlijk vinden wij bepaalde dingen ook mooi om te hebben, maar als ik het vergelijk met de vluchtelingen hier in de opvang, dan hebben wij het zo rijk. Nu we weer verhuizen naar Almere, vind ik het vooral lastig om mensen achter te laten." Jan-Willem: "Op materieel niveau zijn sommige dingen ook wel frustrerend, hoor. Je wilt je kinderen ook graag alles geven wat goed voor hen is. Ik zeg niet dat we arm zijn, maar we hebben meer kinderen dan een gemiddeld officiersgezin, dus dan moet je wel keuzes maken. Als ik zelf zou gaan over mijn inkomstenstroom, dan zou ik bepaalde dingen aan mijn kinderen geven die ik nu niet kan geven. Daar hebben we wel mee geworsteld. We maken ons er nu geen zorgen meer over, maar dat moet je wel leren. Je past je aan. “Als wij een dagje weggaan, nemen we bijvoorbeeld al snel wat boterhammen mee en we proberen onze spullen niet zomaar weg te doen.” Jojanneke knikt. "Dat is een houding. Het is niet zo boeiend meer hoe de bank of de tafel eruitziet."

Levenshouding

'Al mijn tijd bij dag en nacht', zegt een bekend Legerlied. Jan-Willem: "Al je tijd is van God, ja. Ik ben altijd christen. We waren eens op vakantie en toen moest ik echt even loskomen van het Leger des Heils. We droegen geen kleding met logo's erop, we vertelden ook niet aan de andere mensen op de camping dat we officieren zijn. Aan het einde van de vakantie zeiden we tegen een stel waar we mee op waren getrokken dat we voorgangers zijn. En toen zeiden ze heel nonchalant: 'Oh, maar dat dachten we wel.' Zonder dat we er iets over hadden gezegd, merkten ze het toch aan ons. Blijkbaar is het echt onze levenshouding, onze identiteit. Het is me alle spullen van de wereld waard als mensen Jezus in ons zien."