Littekens van ongeluk

Klappen van je dronken vader krijgen. En dan zelf alcoholist worden en klappen uitdelen. Toen Bert zichzelf bijna doodreed, wist hij dat er iets moest veranderen.

Gepubliceerd: 25 juni 2018 in Leven Tekst: Willemijn de Jong Beeld: Madame Forêt

“Ik heb schubben op mijn gezicht nu, door die medicijnen.” Bert vindt het maar niks om op de foto te gaan. Hij is 53 en woont in een appartementje in Vlissingen. Met de Bijbelse dagboekjes op tafel is hij zo op het oog een keurige man. Maar dat is niet altijd zo geweest. Het litteken op zijn voorhoofd doet dat al vermoeden. Het lijkt wel een schotwond, maar het is een overblijfsel van een heftig ongeluk. Een ongeluk uit de tijd dat hij nog veel dronk, drugs gebruikte en een stripper was.

“Ik ben dronken in de auto gestapt en ben met 160 kilometer per uur tegen twee bomen opgereden. De motor is eruit geknald, zo hard was de klap. Het stuur zat in mijn long, mijn oog was uit zijn kas gevallen - die hebben ze terug moeten zetten, en mijn hele kaak stond scheef.” Maar Bert overleefde het ongeluk, en het heeft hem aan het nadenken gezet. Want wat voor leven heb je, als je jezelf bijna doodrijdt?

Jarig maar toch klappen

Het leven van Bert begon al onrustig. “Mijn vader had een kwaaie dronk. Mijn moeder vertelde later dat hij me al sloeg toen ik nog maar twee was. Terwijl ik opgroeide heb ik mijn moeder klappen zien krijgen. Toen ik vijf werd, dacht ik dat ik die dag vast geen klappen zou krijgen, omdat ik toch jarig was. Die ijdele hoop werd er uitgeslagen.” Zijn vader was alcoholist, maar ook erg sportief. “Ik deed erg mijn best op de voetbal, want ik wilde dat mijn vader trots op me was. Ik weet nog goed dat ik een eindje opliep met mijn vader en hem enthousiast vertelde hoe goed ik gespeeld had. Het enige wat mijn vader terugzei was: ‘weet je waar jij goed in bent? Stotteren.’ Ik heb tot mijn vierentwintigste gestotterd. Toen leerde ik de vader van mijn toenmalige vriendin kennen, en dat was een fijne man. Daar voelde ik me eindelijk bij op mijn gemak.”

Het geluid van de Eend

Op zijn zestiende zat Bert in een internaat, omdat hij een lastig jongetje werd gevonden. Toen zijn vader erachter kwam dat hij daar een blowtje had gehad, heeft hij hem een enorme klap verkocht en is toen in zijn Eendje weggereden om het contact te verbreken. “Dat Eendje, daar had ik zo’n hekel aan. Mijn vader reed altijd in een Eend. Je hoorde duidelijk als hij aan kwam rijden, alleen dat geluid al maakte me als klein kind bang. Vaak als hij weer eens te laat uit de kroeg kwam, deed mijn moeder de deur op slot. Dan gooide mijn vader steentjes tegen mijn ruit en zei dat ik de deur open moest doen. Dat merkte mijn moeder dan, en die verbood me om de deur te openen. Maar ik deed het toch, doodsbang om anders nog meer slaag te krijgen.”

Een enorme hekel aan zijn vader, had Bert. Maar toch begon hij óók te drinken. “Ik wilde mezelf verdoven. Ik was bang voor wat ik anders allemaal zou voelen. En door de drank en drugs werd ik een jongen die op de bar kon dansen. De eigenaar van een stripclub zag dat en vroeg me om stripper te worden. Dat deed ik. Ik deed op een gegeven moment een showtje met twee andere mannen. Die kwamen dan niet opdagen omdat ze zo aan de coke zaten. Dat soort heftige drugs deed ik toen nog niet, ik dronk alleen. Dan waren zij jaloers dat ik zoveel geld overhield. In de discotheek strippen leverde 400 gulden op, bij iemand thuis 200 gulden. Dat kon ik niet helemaal verbrassen met alleen biertjes. Een grammetje coke is een stuk duurder, hoor.”

Sporten deed hij ook veel. “Ik trainde twee uur per dag. Hardlopen en kickboksen. Toen ik mijn vader na jaren eindelijk weer eens zag, was ik een stuk groter en vooral een stuk breder dan hem geworden. Bang voor klappen hoefde ik niet meer te zijn.” Maar toch kon zijn vader hem nog harder raken: hij pleegde zelfmoord. “Hoe kun je dat je kinderen nu aandoen? Dan ben je toch egoïstisch? Zijn eigen dochter heeft hem moeten vinden.”

Alles wat mooi is aan vrouwen

Met zijn vader hoefde Bert niet meer op de vuist, maar anderen kregen het wel te verduren. Bert heeft een stemmingwisselingsstoornis, waardoor hij plotseling ontzettend geïrriteerd kan zijn. “Maar misschien komt het ook door al het pesten uit mijn jeugd, en hoe mijn vader met mij omging. In die wilde jaren, gedroeg ik me als een wild beest.” De scenario’s die Bert voor de geest kan halen zijn treurig: “Ik ben op zulke smerige plekken geweest. Op een avond heb ik na zes trappistenbiertjes een thee van paddo’s genomen. De pulp ervan heb ik gewoon opgegeten. Alles voor mijn ogen werd pastel, ik zag Romeinse pilaren, en alles wat mooi is aan vrouwen maar dan héél groot. Dat is wel een heftige kick hoor. Maar snel daarna dacht ik dat ik dood ging. Ik zei tegen mijn maat: ik krijg een OD (overdosis), je moet melk voor me halen.’ Alles knalde eruit op de wc, van boven en van onder. Dat is wat drugs met je doet. Het was vreselijk.”

Toen zijn vader zelfmoord pleegde, stopte hij met sporten. “Ik ben nu een bolle Bert geworden. Aan sporten was ik ook verslaafd, maar toen ging ik binnenzitten. Het gebruiken ging wel door. En ik zocht daarin ook de rand op, ik ben een randfiguur, haha. En een grootverbruiker. En na dat ongeluk zag ik er ook niet meer zo mooi uit als ik er vroeger uitzag. Ik was vroeger de indiaan-stripper. Altijd lang haar en een gezond lijf, een tooi met veren op m’n hoofd. Als ze me nu op straat zien denken ze: wat doen die littekens daar. En door het ongeluk kan ik ook geen staart meer in mijn haar maken.”

Van de brede weg naar het goede pad

Toen Bert eindelijk de stap kon maken om af te kicken van alles, zag hij in wat hij zo moeilijk vond: zichzelf niet meer zien als die stotterende kleine jongen. Toegeven dat hij eigenlijk een heel gevoelige jongen is. Bij het centrum waar hij afkickte, ging hij ook naar de kerk. “Ik heb me toen laten dopen. In zo’n groot zwembad. Ik was als baby al wel gedoopt, want mijn moeder was gereformeerd opgevoed. Maar dat was haar keus toen. Nu was het mijn keus. Ik geloof dat ik ben vergeven. Maar mezelf vergeven vind ik nog altijd moeilijk.”

In zijn woonkamer hangt een grote plaat: de brede en de smalle weg van John Bunyan. “Op die brede weg, die naar het verderf leidt, staan ongeveer alle plekken waar ik geweest ben. Maar nu loop ik op het goede pad, naar het leven.” Een biertje neemt hij af en toe nog wel. “Maar in combinatie met de medicijnen die ik nu krijg voor mijn aandoening is dat niet heel handig. Op de vraag wat er nu anders aan hem is, antwoordt Bert: “Mijn hart is groter geworden. Ik gebruik geen troep meer en ik zeg geen vieze woorden meer. Vroeger was ik een soort Sinterklaas voor vrienden die zeg maar in de steun zaten, die geen werk hadden. Maar toen ik een jaar op straat woonde, mocht ik bij geen van hen naar binnen. Ik wil niet zo op mezelf gericht zijn. Van verslavingen word je zo egoïstisch. Het enige wat nu nog hetzelfde is als toen, is dat is nog een paar lange, wilde haren heb.”