Kerstverhaal | Zomaar voor niks

Wat is er nu fijner dan - tijdens het uitbuiken bij de kerstboom - een échte kerstvertelling? Strijdkreet selecteerde een mooi verhaal van Johan Frinsel en bewerkte dit voor jou.

Gepubliceerd: 25 december 2017 in Geloven Tekst: Uitgeverij Den Hertog

Al heel lang had het kind staan kijken naar het werk van de schilder. Van een afstandje zag hij hoe de schilder met een fijn penseel sierlijke letters op het winkelraam schilderde. De kleine jongen begreep dat het moeilijk moest zijn, en was één en al bewondering. Ja, die ogen, ze waren de schilder direct opgevallen. Ze bepaalden het hele gezichtje. En vanaf het eerste moment dat het jongetje had staan kijken, was er een zeker contact geweest, al werd er geen woord gewisseld. Het ontbrak de schilder niet aan belangstelling. “Kijk nou, de winterschilder. Vroeger schilderde er bijna niemand in december. Toen duurde het dagen voordat de zaak droog was. Tegenwoordig, met al die synthetische middelen, droogt het onder je handen. Alleen moet je niet vragen hoe gezond dat is. Wat dat betreft, is het wel goed dat je een klussie in de open lucht hebt. Evengoed toch vreemd, als je erover nadenkt, dat alles opeens zo vervuild is. En als je het mij vraagt, krijgen we het niet meer schoon. D’r wordt trouwens niks tegen gedaan. Ja, de belastingen verhogen ze! Ze gebruiken het milieu om gaten in de begroting te vullen, maar het gat in de ozonlaag is enorm. Volgens mij gaan we door, totdat we in ons eigen vuil stikken. Het zal jouw en mijn tijd misschien wel duren, maar onze kleinkinderen zijn te beklagen, denk-ie niet? De wereld gaat naar de knoppe.”

Kunstschilder

“Zeker, maar er komt een nieuwe,” zei de schilder. “En van wie heb je die informatie?” vroeg de man verbaasd. ‘’Rechtstreeks van de leverancier zeker?” “Zo zou je het kunnen zeggen, ja. God maakt een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.” "Weet je wat ik denk? Er zit vast iets in die verf dat verkeerd op je hersens werkt... God! Hoe bedenk je het! Als die bestond, zou het zo’n rotzooi toch niet wezen?” Onder het werken dwaalde de schilder in gedachten even weg naar het verleden. Al heel snel was het duidelijk geweest dat hij bijzondere aanleg had om te tekenen. Kunstschilder had hij willen worden. Maar de omstandigheden waren er niet naar geweest. Maar je droomde er als kind wel van. Maar daar was het ook bij gebleven, want z’n vader wist te vertellen dat er geen brood op de plank kwam als je kunstschilder werd. Het was al mooi geweest dat hij de ambachtsschool had mogen volgen. Daar had hij voor huisschilder geleerd, dat zat toch een beetje in de richting. Pas veel later had hij zich, naast z’n dagelijks werk, kunnen ontwikkelen als kunstschilder, maar het was altijd ‘liefhebberij’ gebleven.

De volgende die even kwam buurten, was een enigszins gedesillusioneerde socialist. “De mens is z’n idealen kwijt,” vertelde hij. ‘’Vroeger was er zoveel om voor te vechten. Vrijheid, arbeid en brood, dat was de leus, want dat had de arbeider niet. De mensen zijn wat uitgebuit, de eeuwen door. Als ik nog aan de verhalen denk van m’n vader en m’n grootvader, hoe die mensen dagen maakten van twaalf uur en langer soms, dat ze voor de Kerst ontslag kregen en na nieuwjaar weer werden aangenomen, zodat de baas geen vrije dagen hoefde door te betalen. En dan moet je de jeugd nou eens zien. Discocultuur! In dampige hokken staan ze te hossen en met hun kop te slingeren! Hoe kan een mens nog nadenken bij zo’n rotherrie? Nee, je ziet geen idealen meer bij de jeugd. Niet zoals wij die hadden. En daar heb je dan voor geknokt, dat zij het beter zouden krijgen dan wij in onze jonge jaren. Maar wij waren gelukkiger. Laat ik je dat wel vertellen! De mensen moeten weer idealen hebben; daar gaat het om. Anders gaat de wereld naar de verdoemenis!”

Straattoneel

“Nou, daar waren we met z’n allen ook hard naar op weg, en daarom is Christus gekomen om ons te redden,” zei de schilder. "Daar geloof ik niet in.” “Daar heeft Hij gelukkig niet naar gevraagd. Hij is tóch gekomen, voor ons allemaal. Als je dat gelooft, ga je de dingen anders zien. Ik ben daar dankbaar voor.” Hij wuifde even naar het kind, dat nog op een afstandje stond te kijken. Na het eten van zijn middagboterham, nam de schilder een stuk schilderskarton en begon hij te schetsen met de kleinste kwast en de twee kleuren buitenverf die hij voor de pui gebruikte. Een vrouw uit de buurt kwam met een dampende kop koffie naar buiten. “Hier jongen, drink maar lekker op.” Haar oog viel op het schilderskarton en, al was ze dan geen geregelde museumbezoekster, ze zag direct dat de schilder meer in zijn mars had dan het keurig in de verf zetten van de buitenboel. "Kijk nou-es,” zei ze zacht. En het duurde niet lang of de schilder was omgeven door een groepje nieuwsgierigen, die gaandeweg stiller werden, toen ze zagen wat er onder zijn handen tot stand kwam. Hij gebruikte de huizen van de overkant als voorbeeld voor het straattoneel dat hij opriep. En toen iemand vroeg wat het ging voorstellen, begon hij onder het schilderen te vertellen.

“Toen God zijn Zoon als kind op aarde geboren deed worden, was dat niet alleen belangrijk voor de mensen in Bethlehem, maar voor de hele wereld. God gaf het kostbaarste wat Hij geven kon, om ons te redden. Voor de mensen in de huizen aan de overkant en ook voor ons hier.” Met zekere streken zette hij een heel stel mensen neer, rondom een man en een vrouw gegroepeerd. De vrouw was zwanger, dat kon je zien, en moeheid sprak uit haar houding, terwijl haar man haar ondersteunde. De mensen om de schilder heen stonden model voor de omstanders. Hij wist ze in hun houding zo raak te karakteriseren, dat  ze stil werden van herkenning. “Mag ik ook even kijken?” klonk het vrolijk. Een zware man drong zich rumoerig naar voren. Toen hij zag wat er aan  de hand was, werd hij stil en keek verbluft van het schilderij naar de schilder.

Honderd euro

“Kun je dat? Waarom sta je dan in vredesnaam gevels te schilderen, man!” Hij keek weer naar het schilderij en toen naar de omstanders en zag de treffende gelijkenissen. De man van het milieu, de gedesillusioneerde socialist, de vrouw van de koffie en al die anderen, ze waren duidelijk te herkennen. "Ik geef je er zo honderd euro voor.” "Hoor je dat, schilder? Dat is gauw verdiend.” De schilder lachte wat en schudde zijn hoofd. “Te weinig soms?” "Het is niet te koop.” “Komaan, alles is te koop.” “De belangrijkste dingen niet,” zei de schilder.
“Geluk bijvoorbeeld en vrede in je hart. Die zijn niet te koop. Die kunnen je alleen maar gegeven worden.” “Oké, oké, maar ik meen het, ik geef je honderd euro... Is dat te weinig soms?” "Ik verkoop het niet.""Hoeveel zou je dan willen hebben?” drong de koopman aan. “Het is niet te koop.”

De schilder werkte verder en toen wenkte hij het kind, dat al een poosje vanuit de verte weer had toegekeken. Het kwam, wat aarzelend vanwege het  groepje mensen, maar met de open blik die de schilder bij de eerste ontmoeting al had getroffen. Hij wees de kleine jongen de plaats waar hij hem wilde hebben en portretteerde hem in een figuur die hij al met enkele lijnen had aangegeven, een kind dat heel dicht bij de zwangere vrouw en haar man stond. Niemand sprak een woord, toen het schilderij bijna klaar was. Ze zagen hoe zorgvuldig de schilder de trekken van het kindergezicht vastlegde. Maar alle aandacht trokken de ogen, die prachtige ogen, die alles wat zuiver, schoon en ontroerend was, schenen te weerspiegelen. "In de herberg was geen plaats,” zei de schilder, “maar heb je die ogen van het kind gezien? Daarin zie je de stal wijd open staan. Wat voor wijzen en verstandigen verborgen is, heeft God aan kinderen geopenbaard.” “Het is schitterend,” zei de koop man schor, “ik geef je er tweehonderd euro voor...”

Aan een kind

De schilder trok het kind naar zich toe en liet het z’n schilderij zien. Het kind keek hem aan en de schilder begreep dat hij hier niet hoefde uit te leggen waarom er geen ezeltje was en geen plaats in de herberg. En waarom er Amsterdamse huizen in Bethlehem stonden. “Deze is voor jou,” fluisterde de schilder en reikte het kind het schilderij toe. Voorzichtig nam het kind het schilderij aan. ‘’Hij geeft het weg!” stootte iemand eindelijk uit. “Zomaar voor niks! Aan een kind! Onbegrijpelijk!”

Hij wees de kleine jongen de plaats waar hij hem wilde hebben en portretteerde hem in een figuur die hij al met enkele lijnen had aangegeven... “Dat,” antwoordde de schilder, “zou je niet zo vreemd vinden, als je wist wat Kerstfeest betekent. God is ons genadig. Dat is zo groot… Dat is niet uit te leggen. Dat kun je alleen maar ontvangen en daarvoor moet je als een kind zijn.” Toen ging hij weer verder met het schilderen van de gevel.