‘Ik weet hoe je zaadjes kunt planten’

Als Roma-kind werd Milutin Pavlovic door zijn ouders verplicht te stelen. Er waren dagen dat hij tienduizenden euro’s buitmaakte, maar heel vaak belandde hij ook in de gevangenis. Hij beterde zijn leven en helpt nu andere Roma hetzelfde te doen. “Dan zeg ik: hoe wil jij een autobedrijf starten als je niet eens weet hoe je belastingpapieren invult?”

Gepubliceerd: 05 november 2019 in Samenleving Tekst: Wilfred Hermans Beeld: Madame Forêt

“Eigenlijk is het zonde dat de criminaliteit en de vooroordelen het imago van de Roma zo negatief kleuren. Het beeld klopt wel, maar het is niet compleet. Ik ben trots op de Roma-cultuur, de muziek, hoe we steeds weten te overleven, hoe vindingrijk we zijn. Maar als Roma geholpen willen worden, moeten hun fouten toch echt bespreekbaar gemaakt worden. Dat doe ik, en dat wordt me niet altijd in dank afgenomen. Maar ík weet wat er gaande is, ik weet hoe je zaadjes kunt planten. Dat lukt niet als ik met de politie zou gaan samenwerken. Dan verdwijn ik zo in een kofferbak, in een bos, of ik word neergeschoten. Daar is niemand mee geholpen.” 

Aan het woord is Milutin Pavlovic (43), op dit moment één van de weinige Roma die actief een brug slaat tussen de Roma-gemeenschap en welwillende hulpverleners. Dat hij bijna de enige is, ontmoedigt hem niet. “Iemand moet ermee beginnen. Als ik voor m’n eigen geluk zou gaan, ging ik wel patatjes bakken, maar zo werkt het niet.”

Huizen, Rolex’en, auto’s

“Mijn moeder stuurde me op rooftocht. Verplicht. Terwijl ik eigenlijk naar school wilde. Als kind had ik al veel centen, soms verdiende ik ruim twintigduizend op een dag. Later woonde ik in meerdere landen van Europa en bezat ik huizen, auto’s, Rolex’en, vrouwen – alles. Maar ik werd ouder en begon in te zien dat het leven meer te bieden had. In 2006 begon ik na te denken en besloot ik mijn levensverhaal op te schrijven, in de gevangenis. Wie ben ik, waar kom ik vandaan? Ik wist dat ik geboren was langs de kant van de snelweg, en heel jong was achtergelaten door mijn ouders. Ik groeide op in kindertehuizen. Mijn vader kende ik niet. Hij had de broer van mijn moeder vermoord. Toch deed het me veel toen hij in 2015 overleed, je hebt immers maar één vader, toch?” 

Die periode vormde het keerpunt, een emotionele rollercoaster waarna ‘Milo’, zoals hij zichzelf noemt, besloot: ik wil niet oud worden in de gevangenis, kappen met die criminaliteit. “Ik zette mijn uitkering stop en begon op nul. Nu wil ik het goede kiezen. Niet om iets recht te zetten, maar ik wil een betere toekomst opbouwen. Diploma’s of werkervaring heb ik niet, maar ik ben mondig en krachtig genoeg om mijn leven op te bouwen en anderen te helpen.” 

Mensenhandel

“Ik ben de problemen zat. Mensenhandel is bij de Roma schering en inslag, zeker bij de subgroep, de zogenoemde Generaal Pardon Groep 1977-78, waar ik vandaan kom. Kinderen worden ingezet als pensioenvoorziening, vandaar die grote gezinnen. Voor de jongens moet er genoeg geld zijn om bruiden te kopen, in sommige Roma-groepen worden meiden zelfs verkocht en belanden ze in de prostitutie. Dat moet stoppen.”  

Milo erkent dat Roma worden gediscrimineerd, maar daarbij moeten ze ook de hand in eigen boezem steken. “Veel Roma zijn zelf de grootste racisten. Zo vormen Roma een gesloten gemeenschap, en worden buitenstaanders ‘gadje’ genoemd. De reden dat sommige Roma zich afsluiten? Men mag niet ontdekken dat hun leven grotendeels bestaat uit liegen, stelen, uitbuiting en mensenhandel." Het ontbreekt de Roma aan een voorbeeldfiguur, zegt Milo. Zo iemand wil hij zijn, en is hij ook. “Roma krijgen steeds de verkeerde vragen, terwijl ik weet hoe zij denken en hoe de rest van de maatschappij denkt. Ik focus me op Roma die wel geholpen willen worden, en op kinderen die recht op onderwijs hebben, die wil ik een gezicht geven.”

Methode-Milo

Eerst hielp Milo op eigen initiatief Roma-gezinnen die dat wilden. Dat begon langzamerhand op te vallen. Zo kwam hij in contact met hulpverleningsinstanties, waaronder het Leger des Heils, dat hem naar jongeren in gesloten inrichtingen en pleeggezinnen met Roma-kinderen stuurt.  

Wat is de methode-Milo? “Om de minderjarige generatie te bereiken, moet je via de oude generatie. Ik begin met voorlichting, ik zoek hen op en begin een sociaal praatje. Hoe gaat het? Dan hoor je: geen geld, geen werk, er mankeert altijd wat. Maar als je de juiste vragen weet te stellen, komt er vanzelf informatie waar je op kunt doorborduren. Ik vraag bijvoorbeeld: wat wil jij? Hoe zie je het voor je? Wat verwacht je van de buitenwereld als ze jou een woning, een uitkering en zorgtoeslag geven? Of ze je smeken om je kinderen naar school toe te brengen, maar jij gaat stelen? Ik confronteer hen met hun gedrag. ‘Ga jij mijn advocaatkosten betalen als ik in de bajes zit? Nee, toch?!’ Sommigen worden dan boos, gaan fel in discussie. Een vader zegt bijvoorbeeld: ‘Ik wil een autobedrijf starten, maar dat lukt niet, Hollanders zijn racisten!’ Dan zeg ik: ‘Hoe wil jij een autobedrijf starten als je niet eens weet hoe je belastingpapieren invult? Sterker: je kunt niet eens schrijven! Weet je wat: we halen iemand erbij die jou dat leert’. En als ze dan zeggen: ‘Ja, maar hoe moet dat dan?’, dan ontstaat er openheid en kom je ergens.” 

 

‘Als ik voor m’n eigen geluk zou gaan, ging ik wel patatjes bakken’

Dwangbeleid
Soms, als ouders hardleers zijn, wijs ik naar hun kinderen. ‘Laat hem maar z’n gang gaan, hij is toch al aan het stelen. Maar zijn broertje en zusje sturen we naar school. Over vijf jaar zien we wie zich het best heeft ontwikkeld’. Omdat ik zelf uit die wereld kom, accepteren ze dat ik zo praat.” Ondertussen laten de dingen die hem ter ore komen Milo natuurlijk niet koud. “Sommigen durven niet vanwege de druk door de cultuur of familie. Weer anderen zeggen me huilend: ‘Ik wil wel veranderen, maar ik weet niet hoe’. Nou, dan breekt m’n hart, hoor...”  

Milo noemt de belangrijkste knelpunten in de hulp aan de Roma-gemeenschap. “Roma-kinderen worden op school en door hulpverleners vaak als licht verstandelijk beperkt gekwalificeerd, vanuit het idee: ze gaan toch niet naar school en houden de anderen niet bij. Maar als je hun achtergronden niet kent, mag je zo’n oordeel niet vellen. Een ander knelpunt is het gemeentebeleid; dat is meestal dwangbeleid. Omdat instanties geen ingang bij de Roma hebben, worden er dwangmaatregelen getroffen. In het kader van de leerplicht delen ze dan maar gele, rode of paarse kaarten uit. Maar daar help je geen enkel gezin, laat staan een kind, verder mee.”  

Rust

Grote successen kan Milo nog niet noemen, hij is pas twee jaar bezig. Hij heeft geprobeerd om iemand uit de Roma-gemeenschap aan een baan te helpen, en weer een ander heeft hij ondergebracht in zijn netwerk. Hij onderhoudt dagelijks contact met verschillende Roma, man en vrouw, jong en oud. Maar dat de samenwerking met de hulpverlening na jaren eindelijk tot stand is gekomen, ziet Milo op dit moment als het grootste succes. Hoopvolle situaties kan hij wel schetsen. “Pleeggezinnen weten vaak niet goed hoe ze met Roma-kinderen om moeten gaan, ze kennen de achtergronden niet; ik word dan soms als Roma ingevlogen, leg een stukje achtergrond uit en zorg bijvoorbeeld dat de hulpverlening in contact komt met de biologische ouders. Hierdoor keert de rust zowel in het pleeggezin, als bij de kinderen terug. Daar doe ik het voor.”