"Ik ging voor het eerst naar een korpsdienst"

Willemijn-van-Strijdkreet ging voor het eerst naar een kerkdienst van een korps van het Leger des Heils. Hoe verging het haar?

Gepubliceerd: 01 oktober 2017 in Geloven Tekst: Willemijn de Jong

Te laat dus, maar als ik de korpszaal binnenloop, komt er meteen een heilssoldaat op me af om me een hand te geven. “Welkom, ga zitten”, fluistert hij. Het is een jongeman met blauwe epauletten op zijn schouders. Ik schuif op een stoel. Voor mij staan rijen lege stoelen. Het middenschip van de kerk zit wel vol.

Waar is de band?

Er staat een officier voor de gemeente, die vraagt of er iemand wil bidden. Er staat een vrouw op, die luid en duidelijk begint te bidden. Ook voor de korpsofficieren, Erik en Willeke. Ze zegt in haar gebed dat het vanmorgen een stuk rustiger is dan gewoonlijk en vraagt of God met de korpsleden wil zijn die elders zijn. Na het gebed valt me op wat ik op het podium mis: een brassband. De Bijbellezing wordt even later door een man uit een andere rij stoelen gedaan. De officier legt uit dat hij het fijn vindt de dienst samen met de aanwezigen te doen. Het voelt gemoedelijk. Niemand kijkt me vreemd aan en iedereen zingt vrolijk mee met de liederen die worden begeleid op een vleugel en een keyboard.

Muzikanten

Achter het keyboard zit een oudere man; hij speelt de sterren van de hemel. De vrouw achter de vleugel blijkt ook zeer muzikaal. Een vrouw in uniform komt langs met een collecteschaal. De oude man speelt rustig een muziekje, mensen neuriën zachtjes mee, er wordt geklapt. In het middenschip worden grapjes gemaakt, mensen lachen vrolijk naar elkaar.

Vlotte jasjes

De officier vertelt dat er een zuster is overleden. Blijkbaar hoort daar een ceremonie bij. “Deze zuster is bevorderd tot heerlijkheid”, zegt hij. Er komt een man in uniform naar voren. Hij pakt een grote vlag van het podium en salueert voor een bord. Terwijl hij daar zo met de vlag op zijn heup staat, leest een vrouw voorin herinneringen aan de overleden zuster voor. Aan de vlag hangt een paars met wit wimpeltje. Zou dat speciaal zijn voor deze ceremonie? De officier plaatst de naam van de zuster op een herdenkingsbord voorin de korpszaal. Terwijl we ‘Heer, ik hoor van rijke zegen’ zingen, kijk ik eens goed om me heen. Ik zie veel mensen in uniform, maar ook in vlotte jasjes waar ‘together we’re one’ op staat. Er zijn hier en daar wel wat tieners, maar vooral mensen van middelbare leeftijd. Het gewelfde dak is hoog en van donker hout. Toch voelt het licht en gezellig binnen. Op het podium een drumstel en grote toeter, die blijkbaar worden gebruikt als de brassband aanwezig is.

Geen zondaar meer

Zou de officier mij hebben zien zitten? Dat vraag ik me af als ik merk dat hij de meeste dingen die er gebeuren even toelicht. “Zoals we dat gewend zijn bij het Leger”, zegt hij bijvoorbeeld. Het lijkt me een aardige man, die Erik. Voor de preek geeft zijn vrouw, officier Willeke, een persoonlijke getuigenis. “Het viel me afgelopen week voor het eerst écht op dat gelovigen in de Bijbel, na hun bekering, nooít meer worden aangesproken als zondaars. Je kunt je wel zondig voelen, maar als je zonden zijn vergeven, bén je geen zondaar meer. Je mag weten dat je echt vrij bent.”

Eén God

Na het getuigenis volgt een preek, ondersteund met plaatjes op de beamer. De officier vraagt wie er in de zaal van voetbal houdt. Er gaan heel wat handen omhoog. Wie is er voor Ajax? Er wordt gegniffeld in de zaal, er blijken meer Feyenoord-fans te zijn. “Maar als Oranje speelt, zijn we allemaal voor ons eigen land, toch?” vraagt de officier. Zo is het volgens hem ook met christenen. Er zijn in Nederland 648 verschillende soorten kerken, maar uiteindelijk hoort iedereen bij dezelfde God. Volgens hem merk je dat als je samen met verschillende christenen één roeping ervaart, bijvoorbeeld om vluchtelingen te helpen. Dan zoomt hij in op verschillen binnen het korps. Hij geeft inspirerende handvatten over hoe je om kunt gaan met diversiteit in je kerk.

Twijfelen

Na de preek vraagt hij aan mensen of ze zich geroepen voelen om naar 'de heiligingstafel' te komen. Ik denk dat dat de lange tafel voor het podium is. Niemand voelt zich geroepen. Daarom begint Erik weer met praten. “Jullie zijn wel een beetje suffig hoor, vanmorgen.” Hij legt uit dat twijfelen aan je geloof heel normaal is. “Als je na de preek zoiets hebt van: Erik, dat klinkt wel mooi, maar ik vind het heel moeilijk om dat te geloven – dat mag er gewoon zijn.” Ik voel me echt in een warm bad.

Glimlach

Na de dienst zijn er taartjes en koffie. Op de taartjes staat het gezicht van de korpsofficier met ‘50’. Ik ga hem even feliciteren. Maar eerst komt de man op me af die me aan het begin een hand gaf. “Wie ben jij?”, vraagt hij met een grote glimlach. “Je bent hier niet eerder geweest, maar je zingt de liederen wel hard mee, zag ik.”

Ik spreek onder het genot van een taartje nog even Kees, de keyboard-speler.  Ja, de brassband is inderdaad op bezoek in een ander korps in Rotterdam. Naast mij zit een dame in een roze jasje. Wilma heet ze. Ze vertelt dat ze nog maar een half jaar naar het korps komt, maar zich hier erg thuisvoelt. Dat wil ze ook wel even aan me vertellen terwijl ik haar met mijn telefoon film.

Dan is het tijd om te gaan. Sja, wat vond ik er nu van?