Ik ben net zo bang als jij

Hoe een vluchteling in een noodopvang in Friesland belande.

Gepubliceerd: 17 augustus 2016 in Samenleving Tekst: Willemijn de Jong Beeld: Ruben Timman

Ik ben net zo bang als jij

Hoe een vluchteling in een noodopvang in Friesland belande.

Gepubliceerd: 17 augustus 2016 in Samenleving Tekst: Willemijn de Jong Beeld: Ruben Timman

Een kerktoren, een kerkhofje en een snackbar. Dat is het uitzicht van de Syrische man met wie ik heb afgesproken. Suliman, een 51-jarige, wat verlegen ogende vluchteling, slaapt sinds gisteren in een noodopvang in Friesland. Een grote sportzaal met veldbedjes. Mannen en vrouwen zitten verveeld te roken op de stenen muurtjes voor het gebouw. Kinderen spelen op een springkussen. Vrijwilligers met portofoons hangen papieren op met de regels in het Nederlands en Arabisch. “Het lijkt niet op thuis, nee, maar dat is goed.”

Suliman wil wel een kopje koffie drinken in het enige café dat het dorp Kollum rijk is. Esspresso hebben ze niet. “In Syrië is de koffie veel sterker,” glimlacht hij, maar hij bedankt uitgebreid voor het waterige Hollandse kopje. Zijn Syrische vriend Naji (33) is meegekomen. Ze zijn elkaar tijdens het vluchten tegengekomen. Naji: “Hij is mijn papa.” Terwijl Suliman een vrouw en kind in Damascus heeft achtergelaten, is Naji, afkomstig uit Aleppo, ongetrouwd. Suliman grijnst. “Hij moet maar een Hollandse habibi zoeken.” Naji schudt verlegen zijn hoofd.

Een en al angst

Waarom laat een man zijn vrouw en zoon eigenlijk achter om naar Nederland te vluchten? Het gezicht van Suliman betrekt. “Dat is lastig uit te leggen aan mensen hier, die zo’n rustig leven leiden. Maar als er dagelijks zes tot tien bommen ontploffen in jouw stad, wordt je leven een en al angst.” Is hij bang voor IS? Suliman schudt zijn hoofd. “Syriërs zijn voor iedereen bang. We vertrouwen niemand. We weten helemaal niet wie die bommen gooit. Welke rebellen het zijn, IS of misschien wel het regime. Ik vertrouw mijn eigen broeders niet meer. Je weet niet meer wie voor en wie tegen je is.” 

Dan is het zeker wel fijn om in het rustige Friesland te zijn? Sulimans ogen worden donker. “Ik wil eigenlijk niet hier zijn. Ik wil in Damascus leven. Het was een prachtige stad! Maar alle goede mensen zijn uit Syrië gevlucht. Niemand loopt op straat als hij niet hoeft. Het is een puinhoop geworden. Mijn zoon gaat al een jaar niet naar school. Terwijl het zo’n slimme jongen is.” Hij grijpt zijn telefoon. Ik hoor een jongensstem in duidelijk Arabisch en Nederlands tot tweehonderd tellen. En ook: 'boom’, ‘beer’, ‘nieuws’, ‘blauw’. Suliman glundert. “Mijn zoon oefent Nederlands. Hij wil graag naar zijn vader komen.” 

Zijn naam betekent vredebrenger. Hij moet er zelf ook om glimlachen

1350 dollar

Ik leg Suliman uit dat veel Nederlanders het vreemd vinden dat hij nette kleding draagt en een mobiel heeft. Net als het feit dat hij hier zonder gezin is. “We zijn gevlucht omdat we bang zijn, niet omdat we arm zijn," zegt Suliman. "Vluchten kost heel veel geld.” Het kostte hem 1350 dollar om in een plastic bootje met veertig anderen van Turkije naar Griekenland over te steken. Hij had niet genoeg geld om zijn vrouw en zoon mee te nemen. Maar had hij dat wel gehad, dan nog was hij alleen gegaan. "Ik vond het te gevaarlijk. Je hoort zoveel verhalen van mensen die verdrinken en sterven onderweg. Ik wilde eerst zelf gaan en niet zomaar mijn zoon en vrouw zo’n gevaarlijke tocht laten maken. Als ik hier asiel krijg, mogen zij met het vliegtuig overkomen. Op een veilige manier.” 

Voordat de oorlog uitbrak in Syrië, had Suliman een restaurant in Damascus. Tijdens de oorlog werd hij taxichauffeur. Zijn Engels is goed. “De mensen die hier komen vanuit Syrië zijn normale moslims die vluchten voor de extremisten. Extreme moslims in ons thuisland vertelden ons dat de mensen in Europa slecht zijn omdat ze niet in Allah geloven. Maar tijdens onze vlucht door Europa komen we allerlei gastvrije, behulpzame mensen tegen. Kijk wat ze voor ons doen; dit zijn geen slechte mensen! Dat is voor veel vluchtelingen heel bijzonder om te ervaren.”

Geen liefde meer

Hij vervolgt: “Syrië is gevaarlijk voor iedereen, er zijn nu alleen nog arme en oude mensen. Vóór de oorlogsellende waren we een heel hechte gemeenschap, nu is het ieder voor zich. Dat maakt het gevaarlijk. In de Arabische wereld is geen rust en geen liefde meer. Het gaat zo ver dat kinderen niet meer naar school gaan, maar kunnen je wel alles over wapens vertellen.” 

Toen Suliman met zo’n tweehonderd andere mannen, vrouwen en kinderen in Kollum aankwam, werden ze warm onthaald. “Mensen verwelkomden ons hartelijk. We weten wel dat niet iedereen blij is met onze komst. Maar hier hebben we alleen nog maar aardige mensen ontmoet. Iedereen groet ons op straat. Als mensen zo goed voor je zijn, word je een dankbaar mens.”

Een maand onderweg

Hij kijkt even zwijgend door het raam de hoofdstraat van het Friese dorpje in. “Uiteindelijk zijn we allemaal bange mensen. Ik ben ook bang, bang dat iemand mij of mijn familie iets aandoet. Ik ben net zo bang als jij.” Ik vertel hem dat hij er moe uitziet. “Dat is niet alleen van de uitputtende reis van een maand door Europa. Ik ben moe in mijn hoofd van alle zorgen. Ik heb veel tijd om na te denken en me zorgen te maken. Dat maakt me verdrietig. Maar ik ben ook blij dat ik hier veilig ben gearriveerd. Ik wil niet per se een veiliger leven voor mezelf, maar vooral voor mijn zoon. Als je kinderen hebt, dan begrijp je dat.” 

Als we even later Suliman en Naji fotograferen bij de opvanglocatie, vraag ik of ik zijn naam goed schrijf. “Met een ‘i’ is het. Mijn naam betekent ‘vredebrenger’.” Hij moet er zelf ook om glimlachen. De zorgen die je ziet in de ogen van Suliman, weerspiegelen in de donkere ogen van de kinderen die rondom de opvang spelen. Een moeder grijpt haar dochter vast en kijkt me ernstig aan. Als ik haar uitleg dat ik een verhaal schrijf over de vluchtelingen, zegt ze: “Je moet de mensen niet vertellen over mij. Je moet ze vertellen over mijn meisje.” Een blauwe sjaal hangt losjes om het hoofd van de vrouw. Ze heeft net zo’n joggingbroek aan als haar zesjarige dochter. “Mijn meisje liep in Syrië kilometers lang. Ze begon pas ‘babba, babba’ te zeggen toen haar voetjes onder het bloed zaten. Ze is mijn heldin!” Ik kijk in de donkere kijkers van de kleine meid. De ogen lachen niet. Pas als ik in gebrekkig Arabisch zeg dat ze een stoere meid is, gaat er een mondhoek aarzelend omhoog.

Sproetjes

Haar moeder twijfelt tussen het beschermen van haar kind en het vertellen van haar verhaal. Komt dit op internet? Komt mijn dochter dan overal op internet? “Het is zo gevaarlijk waar we woonden. We konden echt niet blijven, we leefden op puinhopen, mijn andere dochter is gewond geraakt – we moeten onze kinderen beschermen.” Het is alsof ze wil verdedigen waarom ze hier nu voor me staat, met haar meisje. Als ik haar vertel dat ze met de sproetjes op haar olijfkleurige huid best een Europeaanse had kunnen zijn, glimlacht ze twijfelend. “Ik hoop dat we hier mogen blijven. Ik durf niet terug naar mijn land.” 

Niet alle vluchtelingen in de opvang komen uit Syrië. Een jong stel met een baby is gevlucht uit Bagdad. De man laat een foto zien op zijn telefoon waarop zijn vrouw en hij onder het bloed zitten. Van een bomaanslag. Het zijn inmiddels littekens. Hij houdt zijn baby stevig tegen zich aan. Tegen de muur leunen een paar knappe Arabieren die lachen naar de meisjes van een middelbare school om de hoek. De taalbarrière verhindert een echt gesprek.

Voetballen

"Dit zijn ontzettend vriendelijke, dankbare mensen," zegt een medewerker van de gemeente. "Het is belachelijk om hen niét te verwelkomen. Dit zijn allesbehalve terroristen." Op mijn vraag of de mensen zich niet vervelen, reageert hij direct. "Voetballen? Goed idee, ze zitten hier nu maar een beetje te zitten." Hij springt in zijn busje om naar de enige Kollumse winkel te rijden die voetballen verkoopt.

Suliman eet binnen een kopje soep. “Lekker, hoor!” Maar hij zou betere kunnen maken. Ooit, als hij is herenigd met zijn vrouw en zoon, wil hij weer een klein restaurantje. Eén in een busje en dan overal heen rijden en daar lekker Syrisch eten verkopen. Hij houdt zijn hoofd een beetje schuin en kijkt verlegen. “Dat is mijn grote droom.”