‘Iedere morgen ligt ‘ie weer naast me’

Jos en Aad Schuurman zijn al 62 jaar getrouwd. Het geheim is een mix van genade, relativeringsvermogen en op moeilijke dagen een lief briefje in zijn broodtrommel stoppen. “Ik wil niet opscheppen, maar door de jaren heen is Jos nóg liever geworden.”

Gepubliceerd: 27 november 2018 in Liefde Tekst: Wilfred Hermans Beeld: Wendy Bos

Laatste woorden
Aad: “Jos kijkt erg om naar haar omgeving. Ze kan het niet laten om mensen te helpen. Een goede eigenschap, maar het kan weleens lastig zijn, als de huiskamer weer eens vol zit.”
Jos: “Sinds drie jaar nodigen we de laatste zondag van de maand een stuk of twaalf eenzame mensen uit op de koffie, vooral weduwen.” 

De liefde straalt ervan af in huize Schuurman. Een teder elleboogstootje bij een vraag over hun verkeringstijd, een vingerveeg langs de wang bij een compliment van de ander. Beiden zijn 85 jaar, al zou je ze dat niet geven. Jos: “Kom ik nog jong over? Dank u! Ik word wel af en toe wat vergeetachtig, hoor. Uw naam bijvoorbeeld zal ik morgen toch even aan mijn man moeten vragen. Dat is toch het begin van in de war raken. En: ik heb MS, waardoor ik twee keer van de trap viel. Daarom hebben we het huis verbouwd, waardoor alles nu gelijkvloers is.”Aad: “We dachten dat ze in een rolstoel terecht zou komen, maar dat is nooit gebeurd. Eigenlijk is ze wonderlijk opgeknapt.” Met een liefdevolle blik opzij: “Op de HBS besefte ik nog niet dat ze zo’n bijzondere vrouw was. Jammer, want dan had ik nog langer van haar kunnen genieten.”

Samen leren
Het begon wel allemaal in de klas. Jos: “In de vierde en vijfde klas zorgde hij steeds dat ‘ie achter mij kwam te zitten. In 1951 deden we eindexamen, en daar leerden we vaak samen voor, bij elkaar thuis. Zijn vader was opzichter van de Prins Alexanderpolder, dus we studeerden in de bestuurskamer van de Prins Alexanderpolder.”

Wat vonden jullie in die fase leuk aan elkaar?
Aad, terwijl hij zijn vrouw aanstoot: “Alles.” Jos: “Vooral zijn eerlijkheid. Als ik iets deed wat hij niet leuk vond, zei hij het gewoon. Ik geloof niet dat ik op zijn uiterlijk viel. Al was hij niet lelijk, dat begrijp ik ook wel.”
Aad: “Ze was – en is – heel spontaan, attent en slim. Ons hele leven verzon ze leuke plannetjes. Op de HTS heb ik weg- en waterbouw gestudeerd, en Jos regelde dan bijvoorbeeld dat we met het gezin de opening van een sluis of tunnel bezochten.” Jos: “De vonk sloeg definitief over nadat we ons diploma ontvingen. We zeiden: nu hebben we elkaar zo vaak ontmoet, stopt het hier, of gaan we door? Laten we maar doorgaan.”
Aad: “Toen kregen we verkering. Die heeft vijf jaar geduurd. Da’s niet verkeerd, hoor.”

Vinden jullie elkaar nu nog mooi?
Aad houdt een hand achter z’n oor, een gehoorapparaat wordt zichtbaar. Jos: “Of je me nog knap vindt!”
Aad, samenzweerderig: “Ga ’s even de kamer uit.”
Dan, theatraal: “Kijk nou, wat een lady! Maar: ze is mooi doordat ze lelijk geworden is. Die rimpeltjes kun je niet meer wegdenken, maar een gladde huid zou ook niet meer staan, zeg. We gaan niet naar een schoonheidsspecialist.”
Jos: “We vinden elkaar mooi genoeg. Ik ken heel wat lelijker mannen, met een grote neus bijvoorbeeld. Terwijl Aad nog haar heeft, dat vind ik mooi.”  
Aad, behoedzaam: “Door de jaren heen is Jos nóg liever geworden. Maar ik wil niet opscheppen, hoor!”

‘Die rimpeltjes kun je niet meer wegdenken, maar een gladde huid zou ook niet meer staan’

Wat zijn hoogte- en dieptepunten uit jullie 62-jarig huwelijk?
Jos: “Dat het iedere morgen opnieuw begint, iedere morgen ligt ‘ie weer naast me. Dat vind ik al 62 jaar een feest, ja. En jij, Aad?”
Aad, gespeeld nonchalant: “Nou, ik vind het wel prettig. Wat ook heel bijzonder was: de geboorte van onze jongste dochter, Annette. Dat zij er is, en zo gezond, is een wonder van God. Mijn vrouw had geelzucht tijdens haar zwangerschap.” 
Jos: “We hadden al vier kinderen, en ik lag weken in het ziekenhuis. De huisarts had gezegd: vergeet dat kindje maar. Een hele zorgelijke tijd.”
Aad: “Heel spannend. Toen Annette geboren werd, vroeg ik: ‘Is alles goed, dokter?’ De dokter zei: ‘Ja’. We hadden een doodgeboren of geestelijk gehandicapt kindje verwacht, maar Annette was kerngezond en is later zelfs arts geworden. Dat moment van haar geboorte zullen we nooit vergeten. Ondertussen kreeg mijn oudste zuster borstkanker en kwam ze bij Jos op de kamer te liggen. Thuis overleed ze.”
Jos: “En in dezelfde tijd kreeg mijn vader leukemie en werd hij blind. Hij kwam in het ziekenhuis afscheid van mij nemen. Voor het laatst kon ‘ie me voelen, zo... Gelukkig heeft hij Annette nog op z’n schoot gehad.” 
Aad: “Een andere spannende periode was rond mijn 48e, toen ik adjunct-directeur in een aannemersbedrijf was. De financiële crisis sloeg toe en het was maar de vraag of ik mijn baan kon behouden. In die periode stopte Jos steeds een briefje bij m’n boterhammen. Hou vol. Of: Ik denk aan je.”

In Nederland loopt bijna de helft van alle huwelijken stuk. Zijn jullie elkaar nooit eens zat?
Jos: “Nou, ik denk weleens: wip maar. Hij is bijvoorbeeld preciezer dan ik. Tijdens het koken laat ik van alles slingeren. Hij ruimt dat achter mij op, want hij kan niet tegen rommel in huis. Ik kan zes dingen tegelijk doen, maar doe ze wel allemaal half. Mijn man niet, die doet één ding tegelijk, én goed.”
Aad: “Als zij iets uitpakt, laat ze de verpakking liggen. Die ruim ik dan op.”
Jos: “Hij is nu ook het huis aan het ‘oppimpen’, zoals ‘ie dat noemt. Dan moeten allerlei spulletjes opeens vernieuwd worden. Terwijl ik het zo wel best vind. Of we weleens ruzie hebben? Natuurlijk, anders zou het raar zijn.”
Aad: “Als ik iets zeker weet, en Jos denkt van niet, dan moet ik me wel inhouden, hoor. En als ik me toch zou uitspreken, is het oppassen geblazen. Maar zo’n conflictje is na drie minuten weer over.”  

Jos: “Soms weet ik gewoon zeker dat ik gelijk heb, maar: ik kan de dingen best eens wat liever zeggen. Aad vindt dat ik soms te fel praat, dat merk je nu misschien wel. Dan ben ik een beetje kattig.”
Aad, op hoge toon: “Ja, je bent een pittige vrouw, hoor!” Na een slok koffie: “Ons geloof is ook heel belangrijk. Elke dag naderen we tot God en bidden we dat Hij ons het goede laat doen, ook richting elkaar. Hij heeft ons huwelijk aan ons gegeven.”
Jos: “Hij weet alles, ook wat wij denken. Ook als ik boos ben en mezelf zoek – ík wil gelijk hebben – dan weet God dat. Dat helpt me om mezelf te relativeren.”

Tot slot: durven jullie de gedachte weleens toe te laten dat één van beiden weg kan vallen?
Jos: “Ja, en ik hoop dat Aad eerder overlijdt. Een man alleen? Dat is verschrikkelijk. Wat zou Aad eenzaam zijn...” 
Aad: “We denken er veel over na. Hoe zal het gaan?”
Jos: “Ik ben vaak ziek geweest en mijn man heeft een hartinfarct gehad. Als ik over de hemel nadenk, weet ik wel: mooier kan niet. Maar zolang je samen gezond bent, zoals nu, verlang je niet naar het eind.” 

Wat zouden jullie bij het graf over de ander zeggen?  
Aad: “Dat we samen een buitengewoon harmonieus leven hebben gehad, door Gods genade.”
Jos: “En ik zou zeggen: Aad wilde altijd de mindere zijn.”