‘Hij leeft eigenlijk voort in jou’

In 1998 verliezen Marten en Jacobien van Willigen hun zoontje Constantijn, op dat moment het eenjarige tweelingbroertje van Diederick. Het verlies blijft voor het hele gezin dagelijks voelbaar. “Als degene die is overgebleven, wil ik mijn ouders niet teleurstellen.”

Gepubliceerd: 17 juli 2018 in Leven Tekst: Wilfred Hermans Beeld: Madame Forêt

In een ruim, vrijstaand huis in Apeldoorn wordt de familie Van Willigen langzaam wakker. Vader Marten (55), moeder Jacobien (51) en Diederick (20) zitten al aan de lange keukentafel terwijl de vier overige kinderen in de loop van het gesprek de keuken binnendruppelen. Marten, docent klassieke talen: “Voor het oog hebben we vijf kinderen. Zo presenteer je dat doorgaans naar de buitenwereld, zeker bij onbekenden. Ik ben echter net met een nieuwe baan begonnen; op het prikbord in de docentenkamer heb ik wel uitgelegd dat ik zes keer vader ben geworden en een kind heb verloren.”

Campingbedje 
De geboorte van de tweeling op 5 maart 1998 is een ingrijpende, spannende gebeurtenis. Ze moeten gehaald worden, uiteindelijk met een keizersnee. Diederick komt zonder problemen ter wereld en begint meteen te huilen. Constantijn moet eerst zuurstof krijgen, daarna komt ook hij goed op gang.

Bijna een jaar later. De jongens vormen een twee-eenheid, Marten en Jacobien zijn gelukkiger dan ooit. Onderweg naar een doopdienst brengen ze hun tweeling naar familie van Jacobien. Ze stellen voor om het campingbedje dat ze hebben meegenomen zelf nog even op te zetten, maar dat hoeft niet. 
Na afloop van de doopdienst zien Marten en Jacobien twee ziekenauto’s voor de deur staan, terwijl er een brancard de ziekenwagen in wordt geschoven. Ze stappen uit en zien Constantijn liggen. Bewegingloos. “Hij was het niet meer, zo leek het,” zegt Marten nu. Achteraf zal blijken dat het campingbedje niet goed is opgezet en in elkaar is geklapt. De hals van Constantijn is ertussen gekomen, wat tot een hartstilstand heeft geleid. Op twee dagen na is hij een jaar geworden.

‘Ik kon direct vergeven, Jacobien heeft het jaren niet gekund’

Heel boos
Marten, docent Klassieke Talen: “We hebben een herdenkingskist met allemaal spulletjes van Constantijn. En een schilderij van hem. Ik pak ‘m even, dan is Constantijn ook bij het gesprek.” Het schilderij staat precies in de baan van de invallende zon, waardoor Marten het wil verplaatsen. “Nee joh, laat lekker,” reageert Diederick, student Vormgeving, snel. Dan: “Dit schilderij heeft altijd in huis gestaan.” Marten: “We dachten: hoe opener we naar de kinderen zijn, des te beter.” 

Jacobien, docent Economie en zorgcoördinator: “Constantijn reist met ons mee, zo voelt het. Door foto’s, dit schilderij en door vaak naar de begraafplaats te gaan, geven we hem een plek. Het zou ondenkbaar zijn dat we Diederick pas op zijn twaalfde zouden vertellen: je hebt ooit, in het verleden, nog een tweelingbroer gehad. Wel hebben we jou, Diederick, pas rond je tiende preciezer verteld hoe het is gegaan, en daar reageerde je heel geschokt op. Heel boos.” Diederick: “Dat weet ik nog, ja. Boos op mijn tante. Nu ben ik dat niet meer.” Jacobien: “Je was ook boos op ons, zo van: je had het bedje toch zelf op kunnen zetten?! Maar voor ons is er geen sprake van schuld. Iedereen is verantwoordelijk. Diederick lag eerst in hetzelfde campingbedje, toen is er niets gebeurd.” Marten: “En: bij wie moet je de schuld gaan leggen? Was het bedje te goedkoop? Hadden wij het zelf moeten opzetten? Heeft de fabrikant een fout gemaakt? Bovendien: het is onomkeerbaar, dat moeten we aanvaarden. We willen vanuit de vergeving leven, naar het diamanten voorbeeld van Christus de ons ook altijd vergeeft. Ik kon eigenlijk wel direct vergeven, Jacobien heeft het jaren niet gekund, voor haar lag het heel moeilijk.”

‘Hoe kan je zo’n bedje nou verkeerd opzetten, hoe moeilijk kan het zijn?’

Jacobien: “Ik voelde me heel kwetsbaar, alles kwam op losse schroeven te staan. Als één van de kinderen even onvindbaar was, raakte ik totaal in paniek. Dan lágen ze voor mijn gevoel al in de vijver. Wat uiteindelijk hielp, was om die vergeving uit te spreken, en te beseffen dat het écht een keuze is. Het is voor die ander belangrijk, maar óók voor jezelf; het bevrijdt je.” Diederick: “Dat vind ik nog steeds best knap, ik denk dat ik er in hun situatie meer moeite mee had gehad. Ik bedoel: hoe kan je zo’n bedje nou verkeerd opzetten, hoe moeilijk kan het zijn?” Marten: “Jacobien en ik waren het gelukkigste stel ter wereld, en toen het allemaal was gebeurd, besloot ik: ondanks het gapende gat blijven wij bij elkaar, ook om de kinderen de geborgenheid te geven die ze nodig hebben.”Diederick: “Dacht u dat al gelijk?” Marten: “Direct. In de ziekenwagen besloot ik dat. Ik pakte jouw hand vast, Jacobien, en zei: ons leven is vanaf nu totaal veranderd, en ik wil er met jóu doorheen.”

Wat herinner jij je van het verdriet in huis, Diederick? Diederick: “Dat ze vaak geëmotioneerd waren, net als nu; mama kreeg dan ook zo’n hese stem. Er hangen foto’s van Constantijn in huis, en zodra we daar naar keken, spraken we er over. Op 3 maart is Constantijn overleden. Elk jaar op die dag merk ik het, zodra ik beneden kom: ah, gezellig. Het raakt mij ook, hoor, maar vooral dat ik aan mijn ouders zie hoe zwaar zij het gehad hebben.”

Marten en Jacobien, op welke momenten voelen jullie het gemis extra? Marten: “Toen Diederick twintig werd, was het huis vol, maar toch merkte je dat iedereen wist: Constantijn hoort hier bij te zijn.” Jacobien: “Toen ik Diederick bij zijn diploma-uitreiking alleen vooraan zag staan, vond ik dat heel eenzaam voor ‘m. Ze hadden daar sámen moeten staan! En toen je in de eerste klas kwam en ik zag je alleen in die aula zitten, vond ik dat héél moeilijk. Zo had het niet gemoeten…”

Diederick, wat merk je ervan dat je één van een tweeling bent? Diederick: “Daar ben ik zelf ook benieuwd naar. Als ik aan het chillen ben, schiet het soms door m’n hoofd: o ja, ik had een tweeling kunnen zijn. Het is een gevoel, lastig onder woorden te brengen. Vroeger gingen we vaak naar het graf, dat herinner ik me. En in contact met vrienden heb ik altijd een goede band nodig; het duurt even voor ik iemand vertrouw, maar dan zit het ook gelijk goed. Ik denk dat ik Constantijn op mijn oudere broer Floris heb geprojecteerd. Ik trek nu veel met hem op. Tweelingen voelen elkaar goed aan, en dat heb ik nu met Floris; voordat hij iets gaat zeggen, weet ik vaak al wat er komt.” Marten: “Floris vindt dat ook fijn, hoor, hij vindt jou geweldig. Nu jij dit zegt, zie ik het opeens scherp.” Jacobien: “En je hebt vrienden die heel erg op jou lijken.”Diederick: “Niet normaal, inderdaad. Het zijn haast kopieën, qua manier van doen, denken, interesses.” 

Spiegeltruc
Marten: “Dat Diederick zo sprekend op Constantijn lijkt, is voor mij een geweldig troostrijke gedachte. Als we straks vijfentwintig jaar getrouwd zijn en een familiefoto maken, zou ik graag een soort spiegeltruc uithalen waardoor ze er twee keer opstaan.”Diederick: “Dat kan ik ook wel doen met Photoshop.” Marten: “Constantijn leek exact op jou.” Diederick: “Dat weet je niet.” Marten: “Jawel, ik heb jullie een jaar samen meegemaakt. Dan probeerde ik koffie te drinken en zette jullie helemaal voorin de woonkamer. Binnen de kortste keren kwamen jullie aankruipen, als duo, precies op dezelfde manier. Hij leeft eigenlijk voort in jou.”

Vind je dat een prettig idee, Diederick? Diederick: “Vroeger heb ik daar wel wat druk van ervaren, omdat mensen die dicht om m’n ouders heen stonden er over spraken. Ook binnen onze familie bleef het een gespreksonderwerp aangezien het huis van m’n oma de plek was waar iedereen samenkwam, maar ook de plek was waar het ongeluk was gebeurd. Onbewust kreeg ik toch het gevoel dat ik een extra plaats moest invullen.” Jacobien: “Alsof je moet leven voor twee, dat kan ik me goed voorstellen.” Diederick: “Ja, zoiets. Je bent degene die is overgebleven, dan wil je je ouders niet teleurstellen, onbewust. Daar doe ik ook mijn best voor, maar soms ben ik even klaar met die druk. Tegelijkertijd werd ik gelukkig ook vaak gematst.” Marten, lachend: “De leerplichtambtenaar! Op Diedericks’ school werd je naam genoteerd zodra je te laat kwam. Dat overkwam Diederick vaak, en mij komt de twijfelachtige eer toe dat ik hem in de afhandeling geregeld heb bijgestaan. We gingen er gezellig samen naartoe en beloofden dan beterschap.”

Wat doet het jullie om bij het graf te staan? Diederick: “Dan voel ik me meestal een beetje ongemakkelijk. Zeker als ik een tijdje niet geweest ben, vind ik het fijn om erheen te gaan, maar als ik het dan gezien heb, wil ik ook weer weg. Hop, in de auto.” Marten: “Ik ga er weleens alleen heen en dan bid ik, dat is mijn verwerking. Daar dank ik God dat ik de kracht heb gekregen om door te gaan, en ik bid voor de toekomst, dat Hij ons wil blijven bijstaan.”