“Het liefst blijf ik binnen”

Wendy (33) woont al zeven jaar in Enschede en dat is een mijlpaal. In haar jeugd verhuisde ze heen en weer tussen tehuizen en pleeggezinnen nadat ze op haar zevende vrijwillig werd afgestaan. “Ik was te moeilijk volgens mijn moeder.”

Gepubliceerd: 18 augustus 2018 in Leven Tekst: Danique Groen Beeld: Marleen Kuipers

Wendy gaat zo min mogelijk naar buiten en mensen binnenlaten doet ze niet graag. “Van teveel prikkels om mij heen word ik agressief. Hier is het rustig. Mijn huis heeft meerdere kamers, maar het liefst zit ik op de bank.” Als ze zich voorstelt, vertelt Wendy dat ze gescheiden is en een zoon van veertien heeft. We praten verder en ik hoor haar pittige levensverhaal. “Ik vertel het zo vaak dat het eruit rolt als een cassettebandje. Daar zit geen emotie bij, niet meer in ieder geval.”

Uit (te)huis

“Mijn ouders scheidden toen ze in verwachting waren van mij. Mijn moeder had een moeilijke zwangerschap en bevalling.” Wendy werd vrijwel levenloos geboren en na de derde reanimatiepoging vroegen de artsen haar moeder of ze daarmee door mochten gaan. “Nog één keertje, zei ze. Daarna mochten ze het laten zitten.”  Tot haar zevende woonde ze bij haar moeder, zus en broertje. “Mijn moeder vond mij te moeilijk en ik moest weg. De maatschappelijk werker en mijn moeder brachten mij naar het pleeggezin. Mijn moeder stapte weer in de auto en ze reed weg zonder iets te zeggen. Het deed haar helemaal niets.”  

Jaren later, op de crematie van haar oma, was het weerzien met haar moeder. “Ik probeerde daarna contact te leggen, maar mijn zus verbood het mij. Ik wilde graag weten wie ze is en of ik op haar lijk. Mijn vader ken ik sinds mijn negende. Ik heb geen goede herinneringen aan hem. Hij beloofde veel, maar deed niets. Ik besloot dat ik geen ouders meer heb. Mijn ouders zijn trouwens weer bij elkaar. Ik was nog op de bruiloft. Mijn moeder vroeg of ik erachter stond en om het plaatje compleet te maken, ging ik. Hun bruiloft interesseerde mij niets, maar ik vond het leuk familie te zien die ook kwam.” 

Het crisispleeggezin waar ze terecht kwam nadat ze werd afgestaan, was geen veilige plek voor Wendy. “Ik ben geestelijk en lichamelijk misbruikt. Ik zat stil en at koekjes. Eetbuien heb ik nog steeds.” Ze verbleef in een pedagogisch instituut in Nijmegen, had een fijne tijd in een tehuis in Ootmarsum en woonde een aantal jaar bij vrienden en bekenden en had nog een tiental verblijfplaatsen. “Ik was zeventien toen ik bij een paar vrienden kon wonen.”

Angel

“Met een van die vrienden kreeg ik een relatie. Hij maakte het uit omdat ik ging verhuizen, zijn beste vriend hoorde dat en zei dat ik nu zijn vriendin was, ik vond het goed.” Op haar achttiende trouwde ze met hem en in datzelfde jaar beviel ze van hun zoon.

Haar zwangerschap verliep goed en ze keek uit naar de komst van de baby. “Na de geboorte kreeg ik een postnatale depressie. Mijn man zei dat ik meer moest doen, terwijl hij zelf alleen maar gamede. Ik twijfelde over de opvoeding, maar had niemand bij wie ik terecht kon. Ik ging naar de GGD. Ze vertelden dat ik hem moest afstaan. Ik was zo boos. Alsof ik de kleine hetzelfde aan zou doen als mij is aangedaan. Op een dag belden ze dat ze hem kwamen halen. “Mijn ex-man was bij het afscheid, ik kon het niet aan.” Wendy ging werken om daarmee een stabiele thuissituatie te creëren voor haar kind. “Ik heb nooit moedergevoelens gehad, maar ik wist dat ik zijn moeder was: dus ik wilde iets voor hem doen.”

“Verdrietig was ik niet, maar wel kwaad. Ik wist dat het beter voor hem was, anderen konden hem meer bieden. Eerlijk vond ik het niet. Eenmaal een stempel, altijd een stempel.” In de eerste jaren had ze contact met het pleeggezin van haar zoon, totdat ze depressiever werd. ”De bezoekjes deden mij meer kwaad dan goed. Ik kreeg flashbacks van vroeger, het was alsof ik naar mezelf keek.” Vorig jaar zag ze haar zoon na tien jaar weer. “Ik verwachtte dat hij veel vragen zou stellen, maar dat deed hij niet. Hij verwijt mij niets, zegt hij. Om eerlijk te zijn weet ik niet of ik van hem houd, omdat ik niet weet hoe dat voelt. Hij lijkt qua karakter sprekend op mij. Het pleeggezin zal de handen vol aan hem hebben. Zo moeder, zo zoon.” Wendy lacht voorzichtig. “Wat ik hoop? Misschien wel dat hij mij gaat haten. Als hij niets met mij te maken wil hebben, dan hoeft hij ook geen hoop te hebben op iets wat ik hem niet kan geven.”

Van hot naar her

Na haar scheiding woonde Wendy een tijd bij haar ex-schoonouders. “Ze wilden dat ik hele dagen zou werken. Dat kon ik niet aan. Ik stond weer op straat. Ik had weleens gehoord van het Leger des Heils en ging daar in de avond naartoe. Bij het Leger voelde het alsof ik weer in een tehuis woonde, maar dan met volwassenen. Na een tijd wilde ik daar graag weg. Van mijn begeleidster moest ik mensen gedag zeggen. Ik wilde dat niet. ik zou die mannen reden geven contact met mij te leggen. Ik weet..." – Wendy houdt even stilte voordat ze verdergaat met haar zin - "...wat het is om verkracht te worden. Ik blijf ver bij vreemden uit de buurt. Alle mannelijke figuren in mijn leven mishandelden mij. Ik blijf voorzichtig. Niet alleen naar mannen, ook naar vrouwen toe.”

Ze kreeg een kamer in een huis waar meerdere mensen woonden en leefde meer dan twee jaar als kluizenaar. Tot ze daar een vrouw leerde kennen. “Ze zei dat ik moest doen wat ze mij vertelde. Anders was ze teleurgesteld. Ik wilde haar niet teleurstellen en dus deed ik alles.” Er ontstond ruzie tussen haar nieuwe vriendin en andere bewoners van het huis en Wendy vluchtte terug naar het Leger des Heils. "Na vier maanden zocht ik naar een huurhuis en hier woon ik nog steeds.” Vol trots kijkt ze rond.

Bij het Leger

“Toen ik bij het Leger des Heils woonde, kwamen studenten van de muziekschool muziek met ons maken. Ik wachtte altijd in het rokershok tot iedereen weg was. Totdat één van de studenten mij kwam halen. Een van de cliënten had gezegd dat ze mij weleens met muziek mee had horen zingen: ‘Zij kan wel wat, leer haar zingen.’ Met vertwijfeling ging Wendy het aan. “Ik was zo onzeker.” Steeds vaker maakten ze met een klein groepje cliënten en begeleiders muziek en na een tijdje ontstond de band Soulvation.

“Je kunt als activiteit wel doekjes vouwen of boutjes in een zakje stoppen, maar daarmee bereik je niet zoveel. Met muziek stel je jezelf open.” Begeleider Marcel speelde voor Wendy een belangrijke rol. “Het was niet wat hij zei, maar hoe hij er voor mij was. Hij haalde mij uit een isolement. Hij zag altijd als er iets met mij aan de hand was, dan zei hij: ‘Kom, we gaan muziek maken.' Hij doet zijn werk vanuit zijn hart.”

“Elke dinsdag repeteren we met de band in een oefenruimte in Losser.” Dit jaar deed Wendy voor de zevende keer mee aan een van de lokale Kunst- en Theaterfestivals van het Leger des Heils en zong ze Everything van Alanis Morisette. “Het is leuk om mee te doen en een kans om op het podium te staan. Ik hou van de adrenalinekick.” In het zingen kan Wendy haar frustratie en boosheid kwijt. “Ik ben groot fan van Anouk en Alanis Morissette.”

"Muziek is de grootste uitlaatklep, het houdt mij rustig"

Zwart en leeg

Wendy heeft borderline. “Volgens de dokter heb ik daardoor alles zo goed doorstaan. Ik weet niet hoe hij daarbij komt, maar ik weet wel dat alles wat ik heb meegemaakt mij heeft gemaakt tot wie ik ben. En ik heb een dak boven mijn hoofd en eten, dus waar zeur ik om?”

“Zo ver ik mij kan herinneren heb ik depressies. Die zijn elke keer anders. De ene keer duurt het drie dagen, de andere keer drie maanden. Alles om mij heen wordt donker, ik raak leeg en het voelt zwart in mij.” Ze vlucht dan in haar fantasiewereld waar ze langzaamaan weer blijer wordt. “Ik heb het geaccepteerd dat ik morgen depressief wakker kan worden.” Borduren, diamond painting, gamen en het kijken van Japanse animes helpen haar onder meer uit een psychisch dal. “Ik schrijf ook graag verhalen, ook al ben ik zwaar dyslectisch. Maar muziek is de grootste uitlaatklep, het houdt mij rustig.”

Fantaseren

“Ik weet niet waar ik goed in ben en vind het lastig nieuwe dingen te ondernemen. Ik ben heel eenkennig. Ik wil heel graag meer doen dan dat ik nu doe, maar hoe, dat weet ik niet echt.” Vorige week was er een evenement in de buurt waar Wendy de hele week was. “Daar waren mensen die ik ken en dat is prettig. Ik heb daar zoveel gelachen en meer gepraat dan dat ik normaal in één jaar doe. Mijn stem was weg aan het eind van de week.”

Haar grootste droom is naar Japan te gaan. Op de vraag of die ooit uitkomt antwoord ze stellig: “Nee! De reis kost teveel geld en sparen kan niet, omdat ik dan mijn uitkering kwijt raak. Het blijft een droom, maar dat is niet erg. Fantaseren kan altijd, eigenlijk ben ik daar 24 uur per dag mee bezig. Ik kan niet leven zonder ergens in mijn hoofd een fantasie te hebben."