'Heer, U geeft de eenden brood, is er voor mij dan niks?'

Jacoba uit de Bijlmer wilde dood omdat ze zo'n honger leed. Toen ze naar het spoor liep, kwam ze langs Bij Bosshardt van het Leger des Heils en werd ze naar binnengelokt door de geur van eten.

Gepubliceerd: 20 februari 2018 in Leven Tekst: Willemijn de Jong Beeld: Ruben Timman

In de flat in de Bijlmer waar Jacoba woont, brengt haar man net een zak met groente naar de bovenste verdieping. "Daar woont een vrouwtje dat niemand heeft. Als we iets over hebben bij de Voedselbank delen we dat uit aan mensen die geen eten hebben.” Had iemand dat maar bij Jacoba gedaan, toen zij jaren geleden honger had.

Hemelsbreed
Jacoba (59) kwam in 2009 op uitnodiging van haar familie uit Suriname naar Nederland. Zij waren vlak voor de onafhankelijkheidsverklaring nog gauw naar Nederland gegaan en vertelden haar dat het leven hier veel beter was. Ze kwam, maar moest aan alles wennen. “Suriname en Nederland verschillen hemelsbreed van elkaar.” Ze verbleef in de Amsterdamse Bijlmer bij een nicht, maar werd daar op een gegeven moment de deur gewezen. Haar koffers stonden buiten voor het appartement. “Ik was gewend om altijd en overal Gods raad te vragen. Dus ik opende mijn Bijbel, zoals ik elke ochtend deed. Wat moest ik nu? Ik bad vurig: ‘Heer, is dit uw wil? Wat moet ik nu doen?’ Geld om terug te gaan naar Suriname had ik niet. ‘Heer, u zorgt ook voor de vogels. Ik ken hier niemand. Wilt u voor uw dochter zorgen?’ Dat bad ik, terwijl ik de trap van de flat afliep."

Moederziel alleen
“Toen ik op straat liep met mijn koffer, bad ik nog steeds en zong ik Gods lof. Ik ging bij het park zitten, richtte mijn blik naar de hemel en zei: ‘Heer, wijs me de weg. Ik heb geen geld, geen werk, ik voel me moederziel alleen.’ Ik kreeg meteen antwoord van Hem: een man zag me zitten met mijn trolley en bood me zijn bank aan om op te slapen. Hij was ontzettend gastvrij. Twee weken later belde een andere nicht op: kom toch bij ons! En toen vertrok ik weer naar mijn familie die me naar Nederland had gehaald.”

Na een week begon de ellende. Jacoba mocht wel bij haar familie slapen, maar kreeg geen eten, mocht geen water uit de kraan gebruiken of douchen. En, wat ze het ergste vond: ze mocht haar Bijbel ook niet lezen. “Zij geloofden op een andere manier dan ik, waren bezig met afgoderij uit Suriname. Ze zeiden dat ze er last van hadden dat ik elke dag in de Bijbel las. Ik bad opnieuw tot God: Heer, ik leef alleen voor jou. Wat moet ik doen?’ Elke avond las ik stiekem de Bijbel als de rest sliep. Ze zeiden dat ze merkten dat ik niet meer las, maar wisten niet dat ik stiekem nog uren met de Bijbel doorbracht.” 

"Ik zag mensen in het park stukjes brood geven aan de eenden, en ik was zo jaloers."

Regen drinken
Intussen leed Jacoba honger en dorst. “Ik ging in de regen staan met mijn mond open, om vocht binnen te krijgen. Als ik waterflessen op straat zag liggen, keek ik of er nog wat druppels in zaten. Ik had het gevoel alsof er hongersnood was, maar om mij heen had iedereen gewoon te eten. Ik ging natuurlijk erg stinken en raakte uitgehongerd. Ik durfde niemand die me op straat groette iets te vertellen, want dan zouden ze slecht gaan denken over mijn familie. Ik zat overdag buiten mijn spuug door te slikken. Ik zag mensen in het park stukjes brood geven aan de eenden, en oh, wat was ik jaloers. ‘Heer, u zorgt zelfs voor de eenden, is er voor mij dan niks?’ bad ik. Ik wilde niet stelen, maar omdat ik het zo koud had, hing ik zo lang mogelijk rond in de supermarkten. Een vrouw die mij zag, gaf me eens zomaar vijf euro. Wat was ik daar blij mee! Ik dankte God en kocht er water en brood van, dat ik zo langzaam mogelijk heb opgegeten.”

"Ik móest naar binnen. Toen ik binnenkwam kreeg ik een knuffel van Els. Ik begreep het niet, want ik stonk vreselijk en ik zag er niet uit."

Wonder
“Op een dag besloot ik dat ik moest stoppen met leven. Als je zo’n honger hebt, kun je niet meer normaal denken. Ik liep naar het metrostation in de Bijlmer, om op het spoor te gaan liggen. Maar onderweg liep ik langs de Bij Bosshardt van het Leger des Heils. Ik wist niet wat dat was, maar ik rook een heerlijke geur van bruine bonen. Ik deed wat stappen achteruit en ik hield het niet meer. Ik móest naar binnen. Toen ik binnenkwam, kreeg ik een brasa, een knuffel, van Els. Ik begreep het niet, want ik stonk vreselijk en ik zag er niet uit. Maar dat maakte haar blijkbaar niet uit, want ze gaf me toch een knuffel. ‘Welkom, wil je koffie?’ zei ze. Ik kreeg eten en warme koffie en thee. Ik wist niet wat ik meemaakte. God heeft deze mensen gebruikt om mij te redden. Wat een wonder!”

Leegheid
Inmiddels is Jacoba getrouwd met een man die ze via het Leger heeft leren kennen, komt ze er dagelijks, heeft ze een huisje tegenover de Bij Bosshardt én kookt ze elke donderdag de sterren van de hemel voor de bezoekers van de huiskamer in de buurt. Ook helpt ze bij de Voedselbank, samen met haar man. “Ik zie het altijd meteen als er iemand aan het huilen is op straat. Of als iemand honger heeft. Dat herken je. Mijn man en ik nemen deze mensen altijd mee naar huis. Er hebben hier veel daklozen tijdelijk gelogeerd en veel mensen gegeten. Pas zat hier een meisje dat ik tegenkwam op straat. Hier kon ze even huilen en eten. Ik zei haar: probeer te vergeven. Want je kunt wel eten hebben of een plek om te slapen, maar het gaat om je hart. In alle ellende die ik meemaakte, bleef ik altijd op God vertrouwen. Maar ook juist als het goed met je gaat, kun je leegheid in je leven hebben. God heeft Jezus gestuurd om ons te redden.”

Goed kijken
Dat Surinaamse families mensen gewoon maar over laten komen naar Nederland, gebeurt volgens Jacoba nog steeds. “Ik begrijp niet waarom ze dat doen. Als je iemand hierheen haalt, moet je die helpen een leven op te bouwen. Maar geloof me: je hoeft geen buitenlander te zijn om nood te kennen. Ik geloof dat God je mensen op je pad brengt die je nodig hebben. Je moet je ogen niet sluiten voor het leed om je heen. Als je elkaar écht ziet, word je Jezus voor anderen. Ik ben nog elke dag dankbaar dat Els niet dacht: wat een stinkend mens, maar me omhelsde. Bij het Leger voelde ik me eindelijk gezien. Dat je zo door iemands buitenkant heen kan prikken, dat je ziet als iemand nood heeft: daar heb je een band met God voor nodig. God is niet ver weg op een troon en Jezus ergens aan een kruis. Hij is dichtbij, Hij is in de mensen hier op straat in de Bijlmer. Je moet alleen goed kijken.”

Jacoba maakt bij Bij Bosshardt het liefst roti met kip of Moksi Alesi. De mensen in de huiskamer van het Leger zijn dol op haar kookkunsten. “Ik doe het voor de mensen. Daarom vraag ik altijd voor ik boodschappen doe waar ze trek in hebben. Als zij lekker eten, kan ik God danken.”