Gevlucht naar een nieuw thuis

Imran Gill vluchtte uit Pakistan naar Nederland omdat hij als christen werd mishandeld en vervolgd. "Ik bid of God een wonder doet, zodat ook mijn broer veilig is."

Gepubliceerd: 02 januari 2018 in Samenleving Tekst: Bertina Kramer Beeld: Bertina Kramer

Zomaar een rijtjeshuis in Dronten. Het is donker en etenstijd. Op de bank doen twee jongens een spelletje op een Ipad. In de keuken staat een vrouw te koken. Ze zwaait. Imran heeft zijn bezoek al zien aankomen. Binnen is er de geur van pittige curry en kruidige kip. Er wordt in alle rust gegeten. 'Eerst het eten, daarna de rest'. Er is veel te veel eten en de gastvrouw moedigt aan om meer op te scheppen. Imran glimlacht. Het is duidelijk dat dit Pakistaanse gezin gewend is bezoek over de vloer te krijgen. Dan vertelt Imran zijn verhaal.

Onveilig

"We trouwden de dag na kerstfeest. Mijn vrouw was verpleegkundige en ik zendeling. Ik reisde veel, was pastoor en gaf les op middelbare scholen en universiteiten. We woonden in Gujaranwala, in Pakistan, in een prachtig huis. Ons leven was goed, we hadden alles wat hart begeerde. Maar in het islamitische Pakistan is het niet veilig voor christenen. Mijn neef, die in dezelfde stad als wij woonde, werd gearresteerd. We verhuisden naar Karachi en begonnen een nieuw leven. We woonden er een week, toen ik op straat een groepje fundamentalistische moslims tegen het lijf liep. Ze wilden mensen bekeren en gingen met me in discussie. Ik vertelde dat ik christen was en hield de boot af. Het gesprek liep uit de hand: ze zeiden negatieve dingen over Jezus en ik reageerde daarop met de opmerking dat de islam niet vredelievend is. Ze sloegen me in elkaar. Ik had het geluk dat ik werd geholpen door omstanders."

Ontvoerd

"Drie dagen na het voorval kwam er een groep mensen mijn huis binnenvallen. Ze sloegen mijn vrouw, mijn kind. Ik werd geblinddoekt en meegenomen. Die dag ben ik ontvoerd en woonde ik voor een bijna een jaar op een onbekende plek. Een vreselijke plek: een klein kamertje met een matras op de grond. Je kan het geen bed noemen. Soms mocht ik naar buiten, 's nachts, dan kon ik naar de wc. Ik kreeg weinig te eten en ze sloegen me elke dag. Ik begreep niet wat voor islam dit was. Ik had veel moslimvrienden: ik groeide met ze op, studeerde met ze. We deelden onze religieuze feesten. Tijdens het Suikerfeest werd ik door hen uitgenodigd, met Kerst schoven ze bij ons aan. Mijn kidnappers probeerden me te overtuigen om me te bekeren tot de islam, dan zouden ze me vrijlaten. Ik weigerde. Ik zei: 'Jullie verspillen je tijd. Maak me maar dood, dan ga ik rechtstreeks naar Jezus.' Maar dat wilden ze niet, dat was te gemakkelijk."

Op de vraag hoe het mogelijk is dat hij dat volhield, lacht Imran. "Pakistaanse christenen zijn sterk. Het is een Oosters ding, dat stug volhouden. In onze landen is geloof een kwestie van leven of dood, veel meer dan in het Westen."

Zakia zet thee en geeft de keuze tussen Nederlandse of Pakistaanse. De laatste blijkt zoet en met melk te zijn. Net als vroeger: vruchtenthee met een suikerklontje en een flinke scheut melk. Met biscuit. Imran vertelt verder.

Gevlucht

"Op een nacht vond ik de kans om weg te rennen. Ik wist niet waar ik was, het enige wat ik deed was rennen. Na een paar uur zag ik licht: een dorpje. In het dorp werd ik tegengehouden door een beveiliger. In Pakistan hebben rijke mensen privé-beveiligers. Hij dacht dat ik een dief of zwerver was. Ik zag er vreselijk uit: mijn kleren, mijn huid, mijn baard. Ik zei dat ik verdwaald was. De beveiliger geloofde me niet en vroeg me een nummer te noemen van m'n familielid. Ik herinnerde me het nummer van mijn broer en bad God of het nummer mocht werken. De telefoon ging over en toen hoorde ik, na zo lang, de stem van mijn familie. Van mijn broer. Eerst geloofde hij niet dat ik het was, hij dacht dat ik dood was. Na een paar vragen huilden we en het eerste waar ik naar vroeg was of mijn vrouw en kind nog leefden. Hij zei dat ze leefden, dat ze naar Nederland waren gevlucht en veilig waren. Ik dankte God, want mijn kidnappers hadden me al die maanden verteld dat ze waren vermoord."

Jesus-shop

"In Nederland woonde ik nog twee maanden op een andere plek dan mijn gezin. Toen ik bij mijn vrouw in het asielzoekerscentrum in Dronten mocht wonen, werd mijn leven eindelijk iets rustiger. Ik heb vier jaar in het AZC gewoond, dat is mijn thuis geworden. Er wonen daar meer moslims dan christenen. Voor mij is er geen onderscheid: mijn vrouw en ik hebben daar iedereen geholpen. We zamelden spullen in en deelden ze uit. Als iemand een jas of fiets nodig had of een kinderwagen: we hielpen ze om het te vinden. Bewoners van het AZC noemden onze kamer ‘The Jesus-Shop’. En we helpen nog steeds. In ons nieuwe huis verzamelen we spullen die we naar het AZC brengen. Het voelt alsof we daar nog steeds een beetje wonen."

Terwijl Imran vertelt, wordt er aangebeld. Een vrouw brengt twee grote dozen vol met spullen: kleren, thermoskannen, spelletjes. Op de vraag wie die vrouw is antwoordt Imran dat hij geen idee heeft. Elke dag worden er spullen gebracht. Zijn vrouw en hij zoeken uit wat bruikbaar is en brengen het naar het AZC. 

Gratis

"Ik geloof in praktisch geloven. Dat is voor mij het uitdelen van de liefde van God. Ik kan niet de Bijbel delen zonder mijn leven te delen. Soms vragen mensen wanneer ik spullen breng: wat moet je ervoor hebben? Dan zeg ik: ‘Het is gratis. Want het is van Jezus. En alles van Jezus is gratis.’ Ik krijg het gratis en geef het gratis door. Dat is de zegen die ik kan zijn."

Hij vervolgt: "
Toen ik in Nederland kwam, had ik helemaal niets meer. We hebben nu een verblijfsvergunning. Ik studeer Nederlands. We hebben nieuwe vrienden gemaakt, een nieuw thuis gekregen. Vorig jaar vierden we voor het eerst kerst in ons nieuwe huis. We hebben een hoop mensen uitgenodigd, uit het AZC. Mijn vrouw zei: ‘Je hebt teveel mensen uitgenodigd, we hebben niet genoeg eten om te delen.’ En ik zei: ‘Ik heb geloof’. De mensen kwamen binnen en we hadden meer dan genoeg."

Thuis

"Ik mis Pakistan, ik mis mijn familie. Om veiligheidsredenen hebben we weinig contact. Mijn broer is in gevaar, maar we kunnen niks voor hem doen. Ik bid of God een wonder doet, zodat mijn broer veilig is. Ik kan niet terug. Al blijf ik hopen dat het op een dag toch kan. Ik ben dankbaar dat ik veilig ben. Dat mijn gezin veilig is. Dit is nu ons land. Ons nieuwe thuis."