Empathie in uniform: op stap met heilssoldaat Huub

Wat doet een heilssoldaat de hele dag, en waarom eigenlijk? Een dag op stap met Huub naar de jaarlijkse breidag van het Leger des Heils.

Gepubliceerd: 20 maart 2018 in Samenleving Tekst: Paul Teunissen Beeld: Otto Snoek

‘Ook goedemiddag,’ zegt Huub als ik twee minuten na de afgesproken tijd binnenkom. Samen met zestien oudere vrouwen zit hij ongeduldig te wachten op vertrek naar de jaarlijkse breidag in Belmont, het lustoord van het Leger des Heils aan de rand van de Veluwe. Hij legt hun uit dat ik de kapitale fout heb gemaakt te denken dat er een verhaal in hem zit. Heilssoldaat Huub.

Vandaag is hij in uniform. Mensen reageren er altijd op. Sommigen denken dat hij purser op de Stena Line is, vanwege die S’jes op zijn schouders. Die staan er dan van te kijken dat hij heilssoldaat is. Je raakt altijd met iemand in gesprek. Vaak over iets van belang. Dat is het mooie van dat uniform.

Om me nuttig te maken, kan ik een van de busjes besturen. Een stukje tikken, dat kan iedereen. Een paar vrouwen vragen direct of ze bij mij in de bus mogen. Ik begrijp niet goed waarom. Huub kennen ze. Ik ben een vreemde.

De groep splitst zich in tweeën. Bij Huubs Leger-des-Heils-busje is er een probleem. Het portier aan de passagierskant wil niet open. Het blik schuurt snerpend over de lak. Huub gaat met zijn volle gewicht aan de carrosserie hangen, net zo lang tot de opening groot genoeg is om twee vrouwen op de voorbank te duwen. Op de A1 richting de Veluwe begint het me te dagen waarom de vrouwen liever bij mij in de bus wilden. In de verte verdwijnt Huub in een razende vaart uit zicht.

Een vlag en honderd gulden

Als twintiger reisde Huub de Benelux af voor de grote racewedstrijden. Hij genoot het meest van het uitremmen van zijn tegenstanders. Een kwestie van lef. Gewoon zo laat mogelijk in de remmen gaan en je auto voor de ander gooien. Daar was hij goed in. Tot die ene chicane op het circuit van Zolder in België. Hij had er zijn oudste broer geposteerd, zodat die zou zien hoe machtig zijn broertje Huub de anderen uitremde. Die keer had hij niet alleen zijn tegenstanders, maar ook zichzelf eruit geremd en was hij met een paar honderd kilometer de grindbak in gereden. Daarna hield hij het racen voor gezien, omdat hij niet elke keer zijn geldreserves wilde aanspreken om die auto op te lappen.

Het blijft wel kriebelen en op de openbare weg wil hij nog wel eens de racelijnen kiezen. In zijn Seat Ibiza’tje. Liever had hij een Alfa Romeo gereden, met zo’n opgevoerde boxermotor, maar als heilssoldaat kun je niet in een dikke auto bij de mensen komen. Sinds hij in opleiding is voor officier kan hij het ook niet meer ophoesten. Je zegt je salaris op in ruil voor een standaardvergoeding en je stelt je leven volledig in dienst van God en het Leger.

Het voelt aangenaam, die acht vrouwen van boven de zestig in mijn busje. Al die levenservaring zo dichtbij.

De meesten gaan een christelijk korps leiden, maar Huub gaf aan liever onder de mensen te werken. Daarom stuurden ze hem naar Kraaiennest in Amsterdam-Zuidoost, een van de armste buurten van Nederland. Tachtig procent leeft van de bijstand, er zijn veel West-Afrikanen die in de illegaliteit proberen te overleven en kinderen die worden opgevoed door de tante van de nicht van hun moeder. Daar mocht Huub van de korpsleiding wat vreugde onder de mensen proberen te brengen in buurthuis Bij Bosshardt. Net als de naamgeefster, die zeventig jaar eerder met een vlag en honderd gulden Amsterdam in was gestuurd. ‘Kijk maar of je iets van de grond kunt krijgen.’

Een welgemutste Huub. De bezoekers krijgen koffie en oranje tompoezen. Een welgemutste Huub. De bezoekers krijgen koffie en oranje tompoezen.

Een hap geld

‘Toe maar, zo tussen twee auto’s door,’ roept een geboren Amsterdamse achter me. ‘Huub wil zeker op tijd zijn voor de koffie.’ Haar stem heeft een bitter randje. Het geluid van iemand die hele dagen in haar woonkamer zit, met geen ander gezelschap dan die eeuwige televisie.

Ik druk het gaspedaal in en met 130 zoeven we langs de oneindige colonne vrachtwagens die op doorreis is naar Oost-Europa. De vrouwen laten het gebeuren. Ook zij willen op tijd zijn voor de koffie. Over Huubs veiligheid hoeven we ons geen zorgen te maken. Hij rijdt al 1,7 miljoen kilometers schadevrij, vertelde hij.

Het voelt aangenaam, die acht vrouwen van boven de zestig in mijn busje. Al die levenservaring zo dichtbij. Afgezien van die mopperende blanke vrouw en die vrouw die steeds zegt dat ze niet op de foto wil omdat er al genoeg geheime diensten achter haar aanzitten, stralen de dames kalme beheersing uit. Vooral die van de Antillen en uit Suriname. Een minzame glimlach op hun gezicht. Ze hebben het allemaal gezien en ervaren, hoe die kerels hun leven keer op keer in de vernieling hielpen en hoe zij alles met liefde en geduld weer recht moesten breien. Samen zou ik wel verder durven, achter de vrachtwagencolonne aan, helemaal door naar Oost-Europa.

De vrouw naast me – ik vermoed dat ze zeventig is, maar misschien is ze wel honderd – vertelt met een melodieuze stem over haar jeugd op Aruba. In ’63 kwam ze naar Nederland en niet veel later ging ze in Kraaiennest wonen. Om de vier jaar gaat ze terug naar de Antillen voor een groot familiefeest. Dan verzamelt de hele meute zich vanuit Florida, Curaçao, Amersfoort en Tiel. Tweehonderd man om een week lang feest te vieren en de familiebanden aan te halen. Ze weet nog niet of ze er de volgende keer bij zal zijn, want het is toch een hap geld die ze opzij moet zetten.

Grote breinaalden

Belmont ligt half verscholen onder hoge beuken. Bij de ingang schudt een vrouwelijke heilsofficier met metallic grijs haar, initiator van de landelijke breidag, elk van de bezoekers de hand: ‘Hartelijk welkom.’ Naast haar staat een vrouw met een plastic zak waaruit ze oranje kroontjes haalt. Driehonderd stuks heeft ze er eigenhandig gebreid. Die kunnen op de borst gespeld.

Huub loodst zijn vrouwen door de lange gangen van het complex. ‘Alsmaar rechtdoor. Als je de spoorwegovergang ziet, ben je te ver.’ Tegen een vrouw op krukken zegt hij: ‘U heeft grote breinaalden bij zich.’

Je moet er veel voor over hebben om een heilssoldaat te zijn. Gistermiddag stond hij in een groen scoutingoverhemd tussen de Bijlmerflats met vijftien kinderen om zich heen de vlag te hijsen. Morgen zal hij de solopartijen van Roofless, een band van dakloze verslaafden, op zich nemen. En vandaag dat gekakel van tweehonderdvijftig breiende vrouwen.

Ze verwachten dat hij het goede voorbeeld geeft. Ook als tijdens de dagopening het Wilhelmus gezongen moet worden. Als de pianiste de eerste akkoorden inzet – of eigenlijk de noten, want ze speelt met twee vingers – staat Huub in uniform fier overeind en zingt uit volle borst mee. Het eerste couplet gaat nog wel, maar bij het tweede couplet haken veel mensen af.

Zullen ze alle vijftien coupletten gaan zingen? Je weet het niet met dat Leger des Heils. Er is een zekere verbetenheid voor nodig om zo’n club goed te laten draaien. Ze spelen een thuiswedstrijd hier in het Veluwse bos. De bezoekers zijn net op koffie en oranje tompoezen getrakteerd. Straks krijgen ze een uitgebreide lunch. Daar kan je best wat voor terug verwachten, maar gelukkig houden ze het bij twee coupletten.

Daarna volgen oudhollandse liedjes als ‘Sarie Marijs’ en ‘Al die willen te kaap’ren varen’. Zonder blikken of blozen neemt Huub de omringende vrouwen vocaal op sleeptouw. De zon en de bomen die hun eerste groene blad tonen, de roodborstjes en de boomklevers doen de rest. Als ‘Daar was laatst een meisje loos’ wordt gezongen, is alle treurnis uit de stemmen van onze groep vrouwen verdwenen. We zijn nog maar een half uur binnen. Toch knap gedaan.

De heilsofficier met het metallicgrijze haar benadrukt dat het niet alleen een gezellig dagje uit is, maar dat er een hoger doel wordt nagestreefd, namelijk het breien van truien, sjaals en mutsen voor dakloze kinderen en Roma-prostituees in Bratislava. Komend najaar wil ze met een volle vrachtwagen die kant uit kunnen rijden. Vandaag moet een ferme stap in die richting worden gezet. ‘Dus dames, maak er werk van.’

Het Wilhelmus als dagopening: zullen ze alle vijftien coupletten gaan zingen? Het Wilhelmus als dagopening: zullen ze alle vijftien coupletten gaan zingen?
De racewedstrijden zijn verleden tijd. Hoewel? De racewedstrijden zijn verleden tijd. Hoewel?

Van buiten bont

Dertig jaar zat Huub in de autohandel. In het bedrijf van zijn vader, dat zijn broers en hij hadden overgenomen. Dat werk wrong nog wel eens, inwendig. Als zo’n jong stel een veel te grote en dure auto wilde kopen. Geld dat ze beter konden besteden aan een kinderkamer. Zijn broers hadden er wel raad mee geweten, maar Huub zei dan: ‘Jongens, dat is helemaal geen auto voor jullie. Slaap er nog een paar nachtjes over.’ Daar stonden die aspirant-kopers soms raar van te kijken. Maar zo was hij. Het had er eigenlijk altijd al ingezeten, dat zachte. Hij moet nog vaak denken aan die jongen uit zijn klas die zijn studie vaarwel zei om missiewerk te gaan doen. Eigenlijk had hij hetzelfde gewild. Maar zo’n familiebedrijf zit in je DNA en nadat zijn vader was overleden, had hij het als een plicht gevoeld erop voort te bouwen.

Welbeschouwd was die garage van zijn vader niet anders dan dat buurthuis in Kraaiennest. Ook daar was het een zoete inval van mensen die iets gedaan moesten hebben. Moeder deed de sociale kant en vader gaf de leningen, zodat die eerste gastarbeiders een auto konden kopen om in de zomer mee naar Marokko te rijden. Als ze geen plek hadden om te sleutelen, dan mochten ze het wel bij hen doen. Betalen kwam later nog wel.

Huub heeft de naalden erbij neergegooid. Je moet niet alles willen kunnen.

Zijn vader was een goede vent. Rechtdoorzee. Die deed wat-ie had beloofd. Als je het niet kon nakomen, dan moest je het niet eerst beloven. Hij had het niet op praatjesmakers en dikdoeners. ‘Van buiten bont, van binnen stront,’ zei hij dan. Hard werken en hard drinken, dat deed-ie. Dan kon hij nog wel eens een kwaaie zijn.
‘Bij jouw vader brandde de kaars aan twee kanten,’ zei een van vaders vrienden later tegen Huub.

Marmottenrace

Toen ze de kinderen wilden laten dopen, kon je het niet bij een kerkbezoekje laten, vond Huub. Zo waren ze een keer naar de dienst gegaan van het Leger des Heils, waar zijn vrouw een uitzendbaantje had. Wauw, dacht hij toen hij die brassband hoorde. Die vrolijke uitbundigheid. Zo kon het dus ook. Het was alsof er iemand op zijn schouder tikte en zei: ‘Let je wel even op, jongen, want dit is een belangrijke gebeurtenis.’ Zo was hij heilssoldaat geworden.

Hij was nog lang in de zaak van zijn broers gebleven. In de zomer deed hij missiewerk, scholen bouwen in Tanzania en Cuba. Er waren steeds meer hints geweest. Er was die dakloze onder de brug, die hij elke keer tegenkwam als hij ging hardlopen. Tot hij het niet langer volhield om straal langs die man te lopen en hem mee naar huis vroeg. Je kunt het zien als zo’n marmottenrace, waarbij alle plankjes elke keer zó stonden dat hij in de richting van dat ene poortje werd gedreven.

Twee jaar geleden was hij naar zijn oudste broer gereden. Vanuit Almere naar Hilversum. Langs het ouderlijk huis. Als een reis door zijn eigen geschiedenis, zo voelde het. Geen makkelijk ritje, omdat hij zijn broer zou gaan vertellen dat hij eruit stapte.

Breien voor Bratislava. Een gezellig dagje uit, maar er is ook een hoger doel: kleding voor dakloze kinderen en Roma-prostituees. Breien voor Bratislava. Een gezellig dagje uit, maar er is ook een hoger doel: kleding voor dakloze kinderen en Roma-prostituees.
‘Succes wordt alleen nog afgemeten in geld. Zorgen voor een anders wordt als minderwaardig gezien.' ‘Succes wordt alleen nog afgemeten in geld. Zorgen voor een anders wordt als minderwaardig gezien.'

Verlaten viaducten

De tweehonderdvijftig dames en paar heren verspreiden zich over de workshops. Huub gaat naar ‘breien voor beginners’. Dat breien hoeft van hem niet, maar misschien zitten er een paar vrouwen wat afzijdig van de anderen. Die wel willen, maar zich niet durven te mengen. Die zal hij eens even een handje helpen.

Voorovergebogen zijn de dames aan het werk. Breien is een oefening in empathie. Al breiend denk je aan de ander. Aan het kleine, magere, eenzame lijfje dat zich er straks in zal hullen.

Mijn oma breidde elke winter wel vier truien voor me. Ze waren mooi en warm en zaten als gegoten. Ze had me nauwkeurig opgemeten. Een enkele keer onderbrak ze het werk aan mijn truien om een paar sokken te breien voor een van mijn neven of nichten. Dit om van het gezeur af te zijn. Daarna ging ze snel verder aan mijn trui. Ik was de oudste zoon van haar oudste zoon. Haar empathie, of liefde, was nogal selectief.

Hij eet nooit voordat iedereen wat heeft, én genoeg. Anders ben je als heilssoldaat niks waard.

Kinderen zijn vaak erg empathisch. Ze raken intens verdrietig als ze ontdekken dat hun knuffel uit bed is gevallen en de hele nacht in het koude donker op de grond lag. Maar ergens onderweg naar de volwassenheid verliezen ze het. Of misschien ontdoen ze zich ervan. Want je kan niet elke dag treuren om vliegen die de weg naar buiten niet kunnen vinden en ruggelings met spartelende poten op de vensterbank aan hun eind komen. Mij is het niet gelukt om het van me af te schudden. Nog elke keer veeg ik die stomme vlieg voorzichtig in mijn handpalm en gun hem zijn vrijheid, in de hoop dat hij tijdens mijn worp zijn levenskracht zal hervinden. Huub heeft dat ook, denk ik. Zoals hij geen te dure auto’s aan jonge stellen kon verkopen.

Erg content met de huidige samenleving is Huub niet. ‘Succes wordt alleen nog afgemeten in geld.’ Zorgen voor een ander wordt als minderwaardig gezien. Ze zijn te druk met zichzelf, met materieel gewin, met het verdedigen van de postzegel van de wereld waarop ze wonen. In de echte wereld, waar de salarissen van boven de vier keer modaal worden uitgekeerd, is inlevingsvermogen vooral een handicap. Stilstaan bij de narigheid van anderen is lastig bij het streven naar persoonlijk succes.

Hij schildert erover. Verlaten viaducten. Gebouwen in metaalachtige kleuren. Het komt uit zijn binnenste en zaterdag moet hij voor de klas op de kunstacademie een motivatie bij zijn werk geven. Dan zal hij dit zeggen, maar het is iets dat diep van binnen komt, dus helemaal weten kun je het nooit.

Hij dacht dat hij de opleiding zou moeten stoppen, toen hij in opleiding ging voor officier bij het korps. Maar ze wilden dat hij doorging. Schilderen kan ook een middel zijn om mensen te bereiken.

Geen doen

Aangestoken door al die naastenliefde van Huub en de zijnen bedenk ik dat ik even langs moet bij mijn oude vader, die op korte afstand van Belmont woont.
Als ik binnenkom, merk ik dat het eigenlijk geen doen is. Er moet gestofzuigd en het bed moet verschoond, anders zal de schoonmaakster zich morgen kapot schrikken. De verdorde planten op het balkon haal ik ook weg, want dat is toch geen gezicht. ‘Schijt aan de buren,’ zegt mijn vader. Wat misschien zijn huidige levensmotto goed samenvat. Ik zeg dat hij niet alles zo moeten laten lopen. Dat hij beter voor zichzelf moet zorgen. En ik ga snel weer weg.

Ik moet begrip hebben voor zijn pijn, die hem lam slaat en lusteloos maakt. Als er een paar dagen niemand is geweest om te vertellen over zijn ongemakken, is het mijn beurt. Maar misschien kan hij ook wat begrip opbrengen voor een zoon die van zijn vader probeert te houden, die het verdrietig en pijnlijk vindt om die vader zo te zien vervallen in lethargie? Alsof het voor hem allemaal niet meer hoeft. Ontdaan rij ik terug naar de landelijke breidag.

Dan moet ik denken aan mijn moeder. Misschien komt het door al die vrouwen van haar generatie om me heen. Misschien omdat het gaat over empathie.

Eerst maar even het bos in. De natuur helpt in dit soort situaties. De zon schijnt op het felgroene mos. Verderop zie ik ineens een ree. Hij kijkt me aan. Ik probeer uit te stralen dat ik goed volk ben. Ik geloof graag dat dieren dit intuïtief aanvoelen. De ree blijft staan en kijkt hoe ik langzaam passeer.
Daarna wandel ik terug naar Belmont.
Huub heeft de naalden erbij neergegooid. Je moet niet alles willen kunnen. Racen, schilderen, musiceren, fikkie stoken, het zijn al heel wat kwaliteiten.
‘Hoe was het bij je vader?’
‘Slecht.’ Ik vertel hoe confronterend het was om hem zo te zien.
‘Het is alsof het ze vanaf een bepaalde leeftijd steeds meer uit hun handen glipt,’ zegt Huub. Dat was bij zijn moeder ook zo. Die is drieënnegentig geworden. Hij was te laat voor haar sterven, op missie in Ghana, maar net op tijd voor haar begrafenis.

Het leed van anderen

Het is tijd voor de avondmaaltijd, en er staan al een paar honderd vrouwen in de rij langs de metalen warmhoudschalen. Als we aan de beurt zijn, zijn de schalen leeg. Huub schraapt met een lepel de laatste restjes hutspot op zijn bord. Ik ga buiten op het verlaten terras zitten en rook een sigaret. Huub moet goed eten, denk ik. Hij moet nog dat hele eind rijden, met die vrouwen achterin, en dat kan niet op een lege maag.
De deur gaat open en Huub komt met twee volle borden hutspot mijn kant op. ‘Ik zag je wel denken. Die vent met zijn soldatenpakkie vreet wel en ik niet.’
In het inloophuis eet hij nooit voordat iedereen wat heeft. En genoeg ook. Anders ben je als heilssoldaat geen knip voor de neus waard.

Dan moet ik denken aan mijn moeder. Misschien komt het door al die vrouwen van haar generatie om me heen. Misschien omdat het gaat over empathie. Zij was vast een goede heilssoldate geweest, al moest ze niet veel hebben van het religieuze gedoe. Ze stamt uit de tijd dat de kerk nog gebiedend, heerszuchtig en hypocriet was en de pastoor langskwam als mijn oma te lang zonder een dikke buik rondliep. Maar wat menslievendheid betreft kan menig heilssoldaat een puntje aan haar zuigen. Dat zegt natuurlijk iedere zoon over zijn moeder zaliger. Maar mijn vader vertelde niet zo lang geleden over haar werk als particulier verpleegkundige van de hoogbejaarde, bedlerige voorzitter van het Humanistisch Verbond. Diens vrouw raakte erg van haar onder de indruk. Ze vertelde mijn vader dat mijn moeder een toonbeeld was van humanisme. Zo liefdevol als zij met haar stervende echtgenoot omging.
Mijn moeder leed onder het leed van anderen.

Te lief

Op de terugreis vertelt een vrouw met blonde stekeltjes over haar werk als vrijwilligster. Alles had ze gedaan. Met dementerenden, mensen met aids. Anderen wilden dat niet doen, omdat ze bang waren voor besmetting. Zelf had ze nooit een man gehoeven, maar haar moeder wilde het zo graag. Zo kwam ze aan die vent, een junk. ‘Die is lekker veel weg,’ had ze gedacht. Maar dat was uiteindelijk niets geworden, natuurlijk. Altijd jatte hij het geld uit haar portemonnee en toen ze hoogzwanger was, schopte hij haar het kind eruit, want dat kostte maar geld.
Ze vertelt het alsof ze een boodschappenlijst opleest.
Ik vraag de vrouwen wat ze van Huub vinden.
‘Het is een lieve man.’
‘Te lief,’ zegt er een. Vooral tegen de Ghanezen en de Nigerianen. Je kan niets op tafel leggen, of het is weg als je met je ogen knippert. En herrie maken ze ook. Hij zou wat strenger moeten zijn in plaats van altijd maar die mantel der liefde.

Bij thuiskomst zit het inloophuis vol mensen. Ze lijken te wachten op Huub. Vrouwen komen overeind en slaan hun armen om hem heen. Het is al laat, acht uur ’s avonds, maar met zoveel mensen binnen kan hij niet sluiten. Dat zou zonde zijn.
Hij had het slechter kunnen treffen dan hier in Zuidoost. Het korps kan je roepen wanneer ze je nodig hebben. Als ze hem willen voor het kinderhospice in de Jordaan, dan zal hij erheen gaan. Een collega van hem doet het nu. Stervende kinderen troosten. Hij weet niet of hij het zal aankunnen, maar als ze hem vragen, dan gaat hij. Je moet niet iets beloven wat je niet kunt nakomen.

Werkloze Ghanees

Morgenochtend zal Huub de deur weer opengooien en dan stromen ze binnen. Zal hij een Poolse prostituee aan kleren helpen. De naailesjuf die het even niet meer ziet zitten troosten, haar beide handen pakken om samen een kort gebed op te zeggen. Een sollicitatiebrief schrijven voor die werkloze Ghanees. Huub zal zichzelf als referentie opgeven. Het helpt misschien om aan beter werk te komen. Beter dan de kippenslachterij of de nachtdiensten in de schoonmaakploegen op Schiphol, waar de meesten van hier uiteindelijk terechtkomen. Hij zal zijn groene scouting-overhemd aantrekken en samen met vijftien zevenjarigen de vlag hijsen, naar een parkje verderop marcheren en ze de fijne kneepjes van het overleven in de natuur bijbrengen. En ’s avonds zullen ze koken en komen er veertig man eten, voor drie euro, inclusief toetje. Hij zal zijn gitaar pakken en wat gospels zingen. Mensen worden er kalm en vriendelijk van, daar in Zuidoost, een postzegel aarde vol naastenliefde.

Aan het eind van de dag rijdt hij als op een wolk terug naar Almere. Gelukkig dat hij zoveel voor anderen kan doen. Materieel succes hoeft van hem niet zo. Die Seat Ibiza voor de deur is mooi zat. Een enkele keer remt hij er nog eentje uit in een mooie chicane.

Met toestemming overgenomen uit Vrij Nederland, 8 mei 2016