De ronde van Marion

Marion is OGGZ-verpleegkundige (openbare geestelijke gezondheidszorg) bij het Leger. Zij bezoekt mensen in het Gooi die door ouderdom, verslaving of psychische problemen zorg nodig hebben. Maar meer nog dan zorg hebben deze mensen het luisterende oor van Marion nodig. Strijdkreet reed een middag met haar mee langs een aantal cliënten.

Gepubliceerd: 25 maart 2019 in Samenleving Tekst: Willemijn de Jong Beeld: Madame Forêt

Fotograaf Natasja en ik stappen in bij Marion (54). Haar autootje ligt vol met plastic bakken waar medische spullen in zitten. “Mochten jullie onwel worden onderweg – ik heb alles bij me,” grapt ze. We rijden weg bij Verzorgingshuis De Blinkert in Baarn, om mee te gaan op Marions ronde door de omgeving. “Ik ben nu alweer een jaar ‘onderweg’,” vertelt ze. Marion werkte 15 jaar in verschillende leidinggevende functies, waaronder afdelingsmanager Buitenhaeghe PG afdelingen.Toch rijdt ze nu weer met haar auto langs cliënten. “Om het contact met deze mensen ben ik ooit begonnen. Ik wilde weer in contact met hen staan, voelen waar ik het voor doe. Ik ben uiteindelijk een echte verpleegkundige. En het kon ook gewoon. Dat is zo mooi aan het Leger, je hebt enorm veel mogelijkheden, want we doen zoveel divers werk.” Bij Marion zit het Leger des Heils in hart en nieren. Ze is actief als heilssoldaat in het korps in Almere, en werkt al heel lang bij het Leger. Haar uitstraling past daarbij: vrolijk, praktisch en ontzettend goed in contact maken. Tijdens deze ronde merken we algauw dat mensen zich direct bij haar op hun gemak voelen. Net als wijzelf. 

Half drie opstaan
We komen aan bij de eerste cliënt. “Die heeft ook het nodige meegemaakt, hoor,” zegt Marion. “Hanna komt niet uit zichzelf uit bed. Ze heeft drie keffertjes, en prima contact met haar zoon, maar ze slaapt hele dagen door. We komen elke dag langs om haar wakker te maken. Het gaat tegenwoordig heel erg goed. Wacht even, als ik de honden niet hoor, is ze niet thuis.” Maar jawel, als we aanbellen, komt Hanna langzaam naar de deur. Ze lag nog op bed. “Goeiemorgen!” roept Marion. Het is inmiddels half drie in de middag. Als we op de bank zitten, tussen de enthousiaste hondjes, zegt Hanna: “Ik ben blij dat ze me uit bed schoppen. Ik slaap ’s nachts zo slecht, mijn hele ritme gaat eraan. Ik heb nu ook hooikoorts, dus ik wil niet naar buiten.” “Oh, bagger,” reageert Marion, met een licht accent. “Wat heb jij mooie sokken aan, zeg,” zegt Hanna. Als we even later buiten staan, vraag ik hoe dat toch kan, dat iemand niet meer uit bed komt uit zichzelf. “Ik denk dat ze sinds de dood van haar man geen reden meer voelt om op te staan.”

"Je leert van deze doelgroep wel dat je oogst wat je zaait. Het is toch treurig als je kinderen nooit meer komen.”

Schreeuwend uit de klauwen
Toch voelt het raar om in zo’n auto van het Leger door het Gooi te rijden. We passeren kastelen van huizen, er ligt nergens een vergeten blikje op straat. “De scheidslijn tussen de goeie kant en het niet meer kunnen, is heel dun. Ook als je je hele leven hard hebt gewerkt, kun je heel eenzaam eindigen. Mensen zijn soms teleurgesteld omdat hun leven anders is gelopen dan ze wilden. Hun oplossing is om de wereld dan maar buiten te houden. En wij komen natuurlijk pas in beeld als het schreeuwend uit de klauwen loopt. Je leert van deze doelgroep wel dat je oogst wat je zaait. Het is toch treurig als je kinderen nooit meer komen.”

Eindelijk lachen
"Vind je het niet deprimerend?" vraag ik. “Ach. Je komt inderdaad bij mensen die al heel ver heen zijn, vaak helemaal geen zorg willen, en die waarschijnlijk nooit meer echt op de rails komen. Het kost veel geduld maar met een lange adem bereik je toch nog heel veel. Ik ben een tijdje bij een vrouw gekomen die altijd klaagde en negatief was. Na een half jaar begon ze eindelijk te lachen. Iemand aan het lachen krijgen die zo verstokt negatief is - dat zijn voor mij de krenten in de pap. Daar wil ik dit echt voor doen.”

Folder voor de Koningin
We rijden met onze auto met Leger-schild langs Paleis Soestdijk. “Mijn eerste cliënt woonde tegenover Paleis Soestdijk. Ik had de neiging om het foldertje dat ik bij me had met ‘let op je buren’ bij de koningin door de bus te gooien. Er is hier veel eenzaamheid achter de prachtige façades van mooie huizen. Veel van die huizen zijn van oud geld – als je binnenkomt blijkt dat ze alleen de buitenkant bijhielden om de schijn op te kunnen houden. Binnen wordt er dan in één kamer geleefd.”

Complotten
We komen aan bij mevrouw Blaak. Ze is oud, 91 jaar. Marion vertelt vooraf dat ze dementerend is en als gevolg daarvan heel paranoïde. “Toch weet ze haar dementie nog knap te verbloemen. Als ze met allerlei complottheorieën over de buren aankomt, reageer ik meestal met ‘Goh wat vervelend.’ Ze trekt de hulpverleners dan aan haar kant, als front tegen de wereld. Als dat haar helpt, zie ik er niet zoveel kwaad in.”

Mevrouw Blaak vind het maar wat leuk dat de Strijdkreet erbij is. Ze woont in een prachtig huis. De zon schijnt zachtjes naar binnen, het huis is nog helemaal in jaren ’70 stijl. Overal staan beelden van honden. “Ben je nog buiten geweest met dit lekkere weer?” “Nee, de stoelen waren vies.” Ze begint heerlijk te kletsen. “Ja, die van hier tegenover. Nouja, die zat in een tehuis.” Het woord inrichting, nee dat noem je niet.  Marion glimlacht: “Je bent heel zorgvuldig met je woorden he? Dat is netjes van je.”

De arts
Ze blijft doorpraten over de buren, haar hand naast haar mond – alsof ze de grootste geheimen deelt met Marion. Echt volgen waar het over gaat, is lastig, omdat ze in halve zinnen praat. Veel gaat er over de arts. Marion: “Mevrouw is geopereerd door een chirurg die hier toevallig in de straat woont. Sindsdien heeft ze het gevoel dat de arts over haar waakt.” Als mevrouw Blaak te lang met veelbetekenende blikken over de buren doorgaat, switcht Marion behendig van onderwerp: “Oh, even wat anders: wat ga je vanavond eten?” “Een pizza”. Of ze er ook nog aan denkt een boodschappenlijst te maken. Er moet inderdaad op de lijst dat de chocoladeyoghurt op is. “Ja, ik word op allerlei manieren voorgetrokken.” Toch hebben ze weleens onenigheid, vertelt Marion met een knipoog. “Maar we praten alles uit, he?”

Meehummen
Als Marion de deur weer uitloopt, is mevrouw Beek aanzienlijk opgeknapt. Het medische deel was maar heel kort. Ze hebben vooral eventjes gewoon gekletst. “Dit gaat om gezondheidszorg op sociaal en psychisch gebied. Uiteindelijk heeft alles weerslag op je fysieke gezondheid. Eenzaamheid wordt uiteindelijk ook een medisch probleem. Daarom past deze vorm van zorg heel erg bij het Leger des Heils. Wij moeten observeren, luisteren; en als iemand in een paranoïde staat is, toch empathisch meehummen.”

Kans op kans
Uiteindelijk is het werk dat Marion doet wel van tijdelijke aard. “Als wij binnen zijn gekomen en de zorg op gang hebben geholpen, hoort de reguliere thuiszorg het over te nemen. Maar soms kan dat niet. Als je een paar keer niet opendoet voor de thuiszorg, moeten zij het opgeven. Het Leger geeft kans op kans op kans, en blijft aan je deur kloppen. Wij zijn het onderste vangnet. We geven nooit op. Ik bel trouwens ook altijd voordat ik kom. Het geeft mensen een stukje waardigheid als ze soms ‘nee’ kunnen zeggen tegen mij. Ik vind het belangrijk dat mensen de regie over hun eigen leven behouden. Net als ik mogen zij ook weleens hun dag niet hebben. Maar in principe wil ik naar binnen natuurlijk.”

Blijf van z’n kop af
We moeten voor de volgende cliënt een eindje rijden. Het is de eerste keer dat Marion naar deze meneer toegaat. Ze belt hem tijdens het rijden en vraagt met vrolijke stem of ze soms twee jonge meiden mee mag nemen. Meneer vindt het prima. Als we het vakantiepark oprijden waar hij woont, en er op elk hekje een dreigend bordje met een hond staat, vraag ik Marion of ze zich weleens onveilig heeft gevoeld. Ze gaat toch altijd maar alleen op pad. Maar nee, ze voelt zich nooit onveilig. “Ik vertrouw ook wel op mijn onderbuikgevoel, hoor.” Als we onder luid geblaf de stacaravan van meneer inlopen, zegt hij: “Hij doet niks hoor, maar blijf van z’n kop af.”

Het blijkt een zeer vriendelijke man te zijn. Zijn kleine huisje hangt vol met foto’s en kunst van paarden. “Ik heb altijd een manege gehad. Toen ik een ongeluk kreeg en nog maar twintig procent kon zien, is alles mis gegaan. Ik durfde geen les meer te geven, want ik zag niet genoeg. Het ging slechter met de zaak, ik begon te drinken. Uiteindelijk heb ik het hele spul verkocht. Bij zo’n afscheidsfeest zegt iedereen: we vergeten je nooit. Maar je raakt gauw genoeg geïsoleerd.”

Verkeerde klap op de billen
Meneer heeft een vergrootglas in zijn hand. Ons kan hij wel zien, zegt hij. Hij kan ook nog op een scooter het park af. Maar dat doet hij niet veel. “Dat bijna blind zijn, kan tot lastige sociale situaties leiden. Ik gaf een tijd geleden de verkeerde vrouw een klap op d’r billen. Nou, dat heb ik wel afgeleerd nu.” Zijn vader zei het al: het zijn de vijftig paarden die hij had waar de meisjes op vallen. Hij is nu vrijgezel. 

Een spiegeldrinker
Marion luistert aandachtig. Af en toe stelt ze een vraag. “Vind je het fijn dat ik van tevoren bel?” “Ja hoor. Je bent de eerste die dat doet trouwens.” Marion trekt haar wenkbrauwen op. “Oh, dat hoort iedereen te doen, hoor.” Het is de vijfde keer dat meneer bezoek krijgt van het Leger. “Bevalt het je?” “Jawel. Het is voor mij ook nieuw. Maar ik ben blij dat jullie me in de gaten houden. Ik loop al vier jaar bij de AA, en ik ben al twee keer teruggevallen.” “Hoe kunnen we aan je merken dat je bent teruggevallen?” “Oh, ik ben een spiegeldrinker, dat betekent dat je ’s morgens vroeg al begint. Ik ga er zelfs mijn bed voor uit. Je merkt het gauw genoeg als ik ben teruggevallen. Ik heb dan het idee dat ik het kan verbergen, maar dat is natuurlijk helemaal niet zo. Als je drinkt denk je: ze hebben het niet door. Maar je ziet het goed aan hoe ik loop en praat.” “En als wij dan vooraf bellen? Wimpel je ons dan af, denk je?” “Oh, nee hoor. Maar nu ben ik weer even goed droog.” “Wij houden wel een oogje in het zeil dan.” “Ik hoop dat je me nooit zo aan zult treffen.”

Springruiter
“Mijn eerste vrouw ziet me liever onder dan boven de grond. Ach nouja, dat kan zo zijn, hè.” Hij haalt zijn schouders op. Er staat een verjaarde foto van één van zijn zonen in de vensterbank. Boven de bank hangt een tekening van meneer uit zijn hoogtijdagen: springruiter op een prachtig paard. “Mijn ploeg werd ooit ruiterploeg van het jaar. Ik ga nu nog weleens kijken hoor, bij de manege. Maar dat voelt toch raar.”

Patatje halen
Als we het park afrijden, gaan we volgens Marion naar een rustpunt in haar route. “De volgende mevrouw is tachtig. Haar huis is keurig netjes. Bij haar kan ik ook altijd even plassen. En ik doe vaak een bakkie koffie. Of ik haal een patatje voor d’r – daar leeft ze helemaal van op. De eerste vijf minuten moet ze altijd even klagen, maar ze heeft ook zelfspot. Dan zegt ze na die paar minuten: ‘Je zult wel denken wat een zeikerd.’

Hummels
We komen inderdaad in aan keurig huis aan. Er staat een prachtige collectie Hummel-beeldjes in de kast. Die zijn een fortuin waard. “Ik vind het gezellig, die beeldjes.” “Jullie zijn de enigen die komen,” vertelt mevrouw. Ze schaamt zich wel wat dat ze in haar pyjama zit. We kunnen ons wel voorstellen dat ze het gezellig vindt als Marion komt. “Ik kom uit een groot gezin, de muren komen hier soms op me af.”  In de auto vertelt Marion: "Bij haar komen we vooral voor het contact, niet zozeer voor de medische handelingen.”

Knuppel onder het bed
Marion checkt of de medicijnen zijn ingenomen. Ze legt ze op het hoogpolige tapijt op de tafel. Wat vind mevrouw van Marion? “Ze is altijd hartstikke goed en aardig en ze kan lekker snoepen.” Dan: “Zeg, Machteld wilde geen sigaretten voor me halen.” Ze keuvelen wat heen en weer. “Ik ga ook even plassen hoor,” zegt Marion. “Ja meid dat moet je zelf doen.” Marion schiet in de lach en zegt tegen ons: “Dat zegt ze nou altijd. Ik wacht nog op het moment dat ze eens ‘Oh dat doe ik wel even voor je’ gaat zeggen, haha”.  Als we weer vertrekken, vraagt mevrouw of de deur goed op slot kan. Er ligt een knuppel uit Zuid-Afrika naast haar bed, zegt ze. Alleen is toch maar alleen.

Langzaam werk
Bij de auto van Marion nemen we afscheid. De avond valt in, maar haar ronde duurt nog wel even. Marion barst nog van energie. Haar gezicht lijkt continu te lachen. “Ik vind dit heerlijk hoor, dat observeren, kijken en luisteren. Als OGGZ-verpleegkundige leer je echt breed te kijken. Als je deze vorm van verpleegkunde wilt doen, moet je het leuk vinden om mensen te bezoeken die buiten de boot vallen. Als je graag lekker hectisch wilt werken, kun je beter naar een ziekenhuis gaan. Dit is langzaam werk. Je moet geduld, een lange adem en heel veel liefde voor mensen hebben.” Nou, dat zit wel goed bij Marion.

Ook zo'n baan?

Lijkt het je wel wat, het werk van Marion? Kijk dan eens hier voor meer informatie en vacatures.