De duik van Jan

Er waren veel mensen die misbruik maakten van Jan. Bij het Leger des Heils voelt hij zich eindelijk veilig.

Gepubliceerd: 08 januari 2018 in Leven Tekst: Willemijn de Jong Beeld: Margriet Alblas

Jan Dekker (61) komt uit een gezin waar niet goed voor hem werd gezorgd. “Mijn vader was ziek en overleed toen ik nog een kind was, en mijn moeder kon de zorg voor drie kinderen niet aan. Ik moest toen naar een kindertehuis in Groesbeek, omdat ik degene was met driftaanvallen. Maar dat kwam vooral doordat mijn ouders mij niet begrepen. Ze waren zwakbegaafd. Mijn zus en broer ook, maar ik was een stuk slimmer. Mijn moeder begreep niet waar ik het over had als ik vertelde wat we op school deden. Bij ruzies geloofden ze altijd mijn broertje. Mijn vader gaf me toen hij nog leefde altijd slaag; ik was heel bang voor hem. Ik heb de knuppel waarmee hij sloeg eens weggegooid. Ik wist dat ik daar weer problemen mee zou krijgen, maar dan in ieder geval niet met díe knuppel.”

Misbruik

Als Jan vertelt over zijn verleden, komen er tranen in zijn ogen. Iets wat hem eigenlijk niet staat, want hij heeft een prachtig lachend gezicht. Misschien zelfs naïef. “Ik heb het niet snel door als mensen iets verkeerds willen. Dat was als kind al zo. Toen ik negen was ben ik meegenomen door een kinderlokker. Hij vroeg mij mee naar huis. Ik begreep wel dat het niet klopte, omdat hij de deur op slot had gedaan. Ik moest seksuele dingen bij hem doen, stond daar opeens met vieze handen. Ik durfde het nooit aan mijn ouders te vertellen. Omdat ik me vreselijk schaamde, maar ook omdat ze niet zouden begrijpen hoe ik me voelde.” De kinderlokker was niet de enige die misbruik maakte van Jan. “Ik moest in de derde klas ook met de schoolmeester naar huis na schooltijd. Ik zou klusjes voor hem doen voor een beetje zakgeld. De auto wassen enzo. Dat heb ik tot de vijfde klas gedaan. Maar ik moest ook aan hem zitten.”

Schoonspringen

Toen hij eenmaal in het kindertehuis in Groesbeek woonde, leek de naarste tijd voorbij. “Ik begon met schoonspringen toen ik veertien was. Ik ging weleens naar het openluchtzwembad in Goesbeek. Ik keek het ook op televisie. Toen dacht ik: dat wil ik ook leren. Eerst sprong ik in een oud zwembad in Apeldoorn maar later mocht ik naar Eindhoven. Daar hebben ze echte torens. Dat was toentertijd tien gulden per les, heel duur hoor.”  

Toch was de omgang met andere mensen nog lastig. “De groepsleiding was goed, maar ik durfde hen niet te dichtbij te laten komen. Als ze dat wel deden, gaf ik ze een klap. Dat was mijn reactie als ik me onveilig voelde: ik ging slaan. Ik heb mijn ouders nooit geslagen, hoor. Hoewel mijn moeder wel vreselijk tegen me tekeerging. In het kindertehuis en daarna was het bindingsangst die ervoor zorgden dat ik dat deed, denk ik. Ook in het tehuis deden jongens weleens naar. Ik kreeg eens een brief onder mijn deur geschoven met daarop: ‘Wil je me aftrekken?’ Hij dacht dat ik homo was. Toen werd ik ook heel boos.”

Toen Jan 24 jaar was ging hij bij mensen in Nijmegen wonen. Het was een fijne kamer, maar werken lukte niet. Hij werkte even als magazijnbediende bij de Hema, en bij een frisdrankfabriek in Ede, maar overal werd hij ontslagen. “Als mensen te dichtbij kwamen of me ergens toe dwongen, werd ik woest.” Uiteindelijk mocht hij bij een kwekerij blijven, die een sociale werkvoorziening werd. Maar Jan had het niet naar zijn zin. “Ik vluchtte naar Engeland. Ik wist dat ik daar op hoger niveau kon schoonspringen, en ik moest gewoon weg hier. Naar een plek waar ze me niet altijd zouden zien als een agressieve jongen.”

Een sprong in het diepe

Tien jaar woonde hij in een gastgezin in Engeland. “Ik voelde me daar veiliger. Ik hield mensen wel op afstand, maar de mensen waren anders. Ze lieten me veel meer vrij. Ik deed mee aan de clubkampioenschappen in New Castle. Daar heb ik mijn mooiste sprongen gemaakt. Toen was ik een stuk dunner dan nu hoor, haha! Het is jammer dat ik dat nu niet meer kan. Je moet toch goed in balans zijn.”

“Helaas kreeg ik toen bericht dat het slecht ging met mijn moeder. Ik vond dat ik naar haar toe moest, ook al had ik geen contact met haar. Dus ging ik terug naar Nederland, terug naar al die mensen. Ik heb een paar dagen aan haar bed gezeten en niets gezegd. Toen ging ik haar zielig vinden. Waarom ik voor haar zorgde? Ik wilde me van mijn goede kant laten zien. Ik hoopte zo dat ze zou zeggen dat ze van me hield. Maar dat deed ze niet. Op haar sterfbed dacht ik pas: maar ze houdt toch van mij. Ik voelde dat toen gewoon.”

Het Leger des Heils

Jan bleef in Nederland. Terug in Ede ging hij trouw naar het zwembad. De duiksprongen werden minder ingewikkeld naarmate Jan wat zwaarder werd. Om geld te verdienen werd hij toegewijd krantenbezorger. Het duurde niet lang of heel Ede wist wie Jan was. De lieve man waar je zo mee kunt lachen. Ook de kinderen in het zwembad waren dol op hem. Hij kreeg een vriendin. “Ze wilde binnen drie maanden trouwen. Ik wilde ook wel graag, maar ik werd bang. Het voelde alsof zij vooral gebruik van mij wilde maken, want ik had een appartement gekocht en goed gespaard.”

Hij was inmiddels trouw bezoeker van het korps van het Leger des Heils. “Mijn vader was ook heilssoldaat, dus als kind kwam ik er ook. Toen mijn oom door het Leger werd begraven, dacht ik: ik ga er weer eens kijken. Het was zo’n warm bad. Mensen waren heel spontaan tegen me en ik had eindelijk het gevoel dat ik helemaal mijzelf mocht zijn.” Jan zag uiteindelijk ook zelf in dat zijn relatie niet goed was. "De majoor van het Leger des Heils wilde me beschermen en liet me zien dat hoe mijn vriendin tegen deed, niet goed voor mij was. Ze wilde mij de baas zijn. Juist dat bazige raakte mijn oude pijn. We hebben het huwelijk maar afgeblazen.”

Strijdkreet

“Inmiddels is het Leger des Heils mijn thuis. De mensen praten met je, ze kijken je niet aan van ‘wie ben jij nou weer’. Ze nemen je echt zoals je bent. Ik keek in het begin wel de kat uit de boom, want ik vertrouwde mensen niet snel, maar dat veranderde al gauw.” Nu deelt Jan elke zaterdag de Strijdkreet uit op de markt en chauffeert hij oudere mensen met een busje naar de korpsdienst van het Leger. “Ik wil in Gods dienst staan. Hij heeft mij naar het Leger geleid. En hij heeft me een beter mens gemaakt. Nu ik merk dat ik erbij hoor en mensen me accepteren, ben ik ook niet meer zo snel kwaad. Mensen herkennen me van de markt, van het zwembad of van de kranten. En dan horen ze me vaak lachen. Ik ben nu gewoon heel gelukkig. Daarom wil ik ook lief zijn voor andere mensen.”

"Ze kijken je niet aan van 'wie ben jij nou weer'."

In het zwembad oogst hij nog altijd veel bewondering. “Vroeger kon ik heel mooi in het water komen. Mijn lievelingssprong was een salto waarna je weer terugkwam op de plank, en daarna weer omhoog en dan in twee-en-een-halve salto naar het water. In die tijd sprong ik van tien meter. Torenspringen heet dat. Nu houd ik het bij drie meter. Dat doorveren vind ik niet meer zo fijn, want nu weeg ik iets meer. Maar anderhalve salto voorover met een dubbele schroef – dat kan ik nog wel.”