'Dat de duivel bestaat, weet je toch inmiddels wel'

Als tiener zat hij al in de gevangenis en kocht hij drank voor zijn alcoholistische moeder. Zijn verleden heeft hem lang achtervolgd. "In mijn droom vluchtte ik een berg op. Ik wist dat ik het niet ging redden. Ik viel op mijn knieën en bad tot God: als u bestaat, maak mij dan nu wakker."

Gepubliceerd: 15 februari 2018 in Geloven Tekst: Willemijn de Jong Beeld: Madame Forêt

Hij maakt een rustige, open indruk. Aan Bart (45) is in niets te zien dat hij zwaar verslaafd is geweest en al jong strafbare feiten pleegde. Hij ziet zijn verandering dan ook als een wonder. "Het voelt wel kwetsbaar om hierover te vertellen, maar ik geloof ook dat ik het moet doen. Toen ik verslaafd was en aan de grond zat, had ik helemaal niks met dat Jezus-gedoe. En toch heeft dat me genezen. Als dat voor mij kan, kan het echt voor iedereen."

Dubbele tong
Zijn jeugd voelt niet als een totaal ongelukkige. "Toen ik op de basisschool zat, voelde thuis wel fijn. We waren een normaal gezin in mijn ogen. In het buurtje van mijn ouders ging men nadat de kinderen naar school waren gebracht een sherry'tje met elkaar doen. Ik merkte niet dat mijn moeder abnormaal veel ging drinken. Later zag ik bij vriendjes dat hun ouders niét tegen elkaar scholden en wél op één kamer sliepen. Kijk, de dubbele tong waar mijn moeder mee sprak, ging me wel opvallen. Maar ik wist als jong kind nog niet beter. Toen mijn ouders scheidden, bleef ik bij mijn moeder. Ik had meer met haar. Maar ze was dagelijks dronken, dus ik moest als jonge tiener al voor haar zorgen. Ik deed wat ik kon. Soms riep me ze me 's nachts uit bed omdat ze zelf niet meer van de wc af kon komen. Ik wist wel dat ze ziek was, maar wilde er toch voor haar zijn."

Gestolen spullen onder moeders bed
Bart glimlacht. "Het was ook wel makkelijk hoor, om bij mijn moeder te wonen. Ik ging flink aandacht vragen op straat, was echt zo'n stoer mannetje. Samen met verkeerde vrienden - jongens met stuk voor stuk een onveilige thuissituatie - begon ik te roken en te drinken. Voor ik het wist deed ik inbraken en zat ik in de harddrugshandel. Op mijn veertiende zat ik al in de jeugdgevangenis. Mijn moeder hielp me altijd. Dan zei ze: zeg maar wat ik tegen ze moet zeggen. Ze gaf me een alibi en verstopte gestolen spullen onder haar bed voor mij en mijn vrienden. Alles kon bij ons, het was elke avond feest. Ik had een barretje op mijn kamer en er waren altijd vrienden over de vloer. In ruil daarvoor moest ik drank halen voor mijn moeder. Of nee, dat was meer omdat ik me schaamde als ze het zelf ging halen. Ze viel wel eens met haar fiets. Als ik het voor haar haalde, had ik nog een beetje controle over hoeveel het was. Ik wilde haar beschermen tegen het oordeel van de buren, maar die zagen mij het bier voor haar halen, en vonden mij een slechte zoon."

"Ik schaamde me voor mijn moeder, maar beschermde haar ook."

"Ondertussen wist mijn vader niet eens dat ik rookte. Voor hem hield ik de schijn op en leefde ik met een dubbele moraal. Ik wist best wat verkeerd gedrag was, maar aan de andere kant hielp mijn moeder me erbij. Dat was eigenlijk best gestoord. Ik schaamde me voor mijn moeder, maar beschermde haar ook. Als ik ergens stond te vissen met vrienden en ze kwam langs, riep ik 'donder op, ma'. Dan schaamde ik me voor mijn vrienden, maar voelde me ook schuldig tegenover haar."

Opgelucht
"Toen ik 19 was, overleed ze. Het voelt raar om dat te zeggen, maar eigenlijk waren dat de mooiste maanden van mijn leven. Ik was opgelucht. Kijk, voor de buitenwereld deed mijn moeder vaak alsof het mijn schuld was dat ze dronk. Dat dat kwam doordat ik zo'n moeilijk kind was. Daarbij wist mijn familie niet dat het zo erg was. Als ze een nachtje naar familie ging, stopte ze even met drinken, kleedde ze zich keurig en leek er niks aan de hand. Toen ze overleed door de drank, kwam mijn oma er pas achter hoe erg het was geweest. Daardoor kreeg ik opeens heel veel liefde en aandacht."

"Zij zei dan: jij hebt me de dood ingejaagd."

"Mijn moeder had heel vaak pijntjes. Meestal belde ik voor niks de ambulance. Op een gegeven moment had ik een baantje en een vriendinnetje. En toen ging ze extra aandacht vragen. Dan riep ze midden in de nacht: 'Bart, ik ga dood, bel de ambulance!' In haar laatste nacht riep ze dat weer. Maar omdat ze dat al jaren riep, werd ik boos op haar en zei ik: 'Nee, ik moet morgen werken, ik bel ze niet.' Ik werd de volgende ochtend door mijn zus vanuit het ziekenhuis gebeld. Het was dit keer menens. Ze was niet meer te redden, alles was kapot vanbinnen. Maar mijn laatste woorden tegen mijn moeder zaten me daarna wel dwars."

Nachtmerries
"Na haar dood kreeg ik een huisje van de gemeente. Ik werd aan alle kanten geholpen. Ik bleef nuchter, ging sporten, kreeg betere vrienden. Maar in mijn dromen gebeurde iets geks. Ik kreeg nachtmerries over mijn ouderlijk huis. Ik droomde dat mijn moeder bij het fornuis stond en ik vroeg: 'Ma, wat doe je hier?' Zij zei dan: 'Jij hebt me de dood ingejaagd!' Dat ging spoken in mijn hoofd. Ik kwam niet van de nachtmerries af. Totdat ik weer cocaïne en heroïne ging gebruiken. Ik kreeg van de drugs heel mooie dromen. Jarenlang kreeg ik alleen op die manier rust in mijn hoofd. Als ik probeerde te stoppen, kwamen de nachtmerries over mijn moeder terug. Het duivelse aan drugs is: in het begin is het mooi en verdien je er veel geld mee. Maar als je zelf gaat gebruiken, word je een junk. En er rust geen vrede op dat geld; het gaat er net zo makkelijk uit als in."

In trainingspak in de kerk
"Toen kreeg ik een auto-ongeluk. In het ziekenhuis kwam ik Marco tegen. Ik kende hem al jaren, hij stond overal bekend als de zwaarste gebruiker die er er was. Ik dacht dat hij inmiddels wel dood zou zijn of in de gevangenis zou zitten. Toen hij voor me stond, herkende ik hem eerst niet. Hij zag er zo goed uit, had een glans in zijn ogen. Hij begon tegen me te praten over Jezus dit en Jezus dat. Ik had daar niks mee, joh. Ik begreep alleen niet dat hij ook zo was geworden. Maar het had hem duidelijk goed gedaan. Hij wist waar ik vandaan kwam, dus ik nam wat hij zei ook wel serieus. 'Dat de duivel bestaat, dat weet je inmiddels toch wel', zei Marco tegen me. Hij deed de lichtknop uit en weer aan en zei:' Als er duisternis is, moet er ook licht zijn. De duisternis is alleen maar de afwezigheid van het licht. Je kunt het licht in stappen, want het licht wint altijd'."

Vreemd, maar toch fijn
"Ik was sceptisch. Ik kon er niks mee. Marco zei toen: 'Ga gewoon eens mee naar de kerk. Alsof je iets beters te doen hebt...' Dus ik ging mee naar een heel evangelische kerk. Stond ik daar in mijn trainingspakkie. Ik schrok eerst een beetje toen mensen voor me wilden gaan bidden en vrij heftige taal gebruikten. 'Ik moet hier weg joh', zei ik tegen Marco. Toen zei hij: 'Dit is wel wat mij gered heeft.' Dus bleef ik met hem meegaan. Het was vreemd in de kerk, maar toch fijn. Niemand keek me raar aan, ik voelde me echt welkom. Uiteindelijk ben ik naar een afkickkliniek gegaan die erg gericht was op rust. En daar heb ik God gevonden."

Wakker worden
"Tijdens het afkicken, kwamen - uiteraard - mijn nachtmerries over mijn moeder weer terug. Dat was heel gek, ik wist dan wel dat ik droomde, maar kon niet wakker worden. Mijn moeder kwam achter me aan met monsters. Op een nacht rende ik in mijn droom voor de monsters weg, een berg op. Ze kwamen sneller dichterbij en ik wist: ik red dit niet. Ik viel doodsbang op mijn kniëen en zei: 'God als u bestaat, maak me dan wakker'. En ik werd wakker. De volgende nacht gebeurde dat weer, met dezelfde droom. Toen wist ik het zeker. God is echt! En toen voelde ik eindelijk ook: ik kán clean worden. Want ik hoef het niet alleen te doen. Het bleef een gevecht, maar het werd mogelijk. Ik had het gevoel dat ik werd gedragen. En in Marco zag ik het bewijs. Hij bracht me in contact met andere mensen die me verder hielpen. Ik liet me dopen en voelde me geweldig."

Waarschuwing van God
"Toen ik nog iets moest regelen met mijn rijbewijs en ik daarvoor iets op moest halen op het politiebureau, lieten ze me opeens niet meer gaan. Blijkbaar was er nog een strafbaar feit waar ik een tijdje voor moest zitten. Ik dacht: een maandje cel, dat heb ik zo vaak gedaan, dat lukt me nog wel even. Maar die maand in de koepelgevangenis in Arnhem is zwaarder geworden dan ooit. Ik was een ander mens geworden. De geluiden van schreeuwende mensen in de nacht kwamen veel harder bij me binnen. Ik voelde me eenzaam, want ik kende wel andere jongens die daar zaten, maar ik hoorde er ook niet meer bij. Ik heb die tijd als een waarschuwing gezien van God: 'Kijk uit wat je doet, want er is geen garantie dat je nooit meer teruggaat.' Het blijft altijd een strijd."

"Als het voor mij kan, kan het voor iedereen."

Werken bij het Leger
"Ik leerde een vrouw kennen in de kerk. Ze was veel jonger dan ik en ze had zelfs nog nooit gerookt. Maar we zijn getrouwd en hebben nu prachtige kinderen samen. Zij werkte bij het Leger des Heils. Dat leek mij geweldig. Inmiddels werk ik ook bij het Leger in Utrecht, en volg ik een hbo-opleiding tot ervaringsdeskundige. Ik ontwikkel een methode waarmee mensen die op de wachtlijst staan om bij het Leger te komen, in de tussentijd toch alvast contact en hulp van ons krijgen. Het helpt echt als je weet in wat voor schuitje deze mensen zitten. En God heeft mij daaruit gered. Als dat voor mij kan, kan het voor iedereen."