Beter een goede buur

Danny en Martijntje van Baarle wonen met hun twee dochters en zoontje in een groot huis in Apeldoorn. Ze wonen naast zes jongeren van het Leger des Heils en zijn de mentorhuisouders van deze groep. Wat is dat en hoe werkt dat eigenlijk?

Gepubliceerd: 19 juni 2019 in Samenleving Tekst: Willemijn de Jong Beeld: Madame Forêt

Mentorhuisouders - dat is een nieuw begrip in de hulpverlening van het Leger des Heils. Danny en Martijntje doen dit bijna nu een jaar. Danny: “Het houdt in dat je naast een huis woont waar jonge deelnemers van het Leger des Heils wonen, tussen de 16 en 23 jaar. Ze wonen daar dus eigenlijk semi-zelfstandig - in een fase tussen opvang en zelfstandig wonen. Als buren zijn wij altijd bereikbaar. We helpen hen met wonen en nemen deel aan begeleidingsgesprekken. Een soort heel betrokken, verantwoordelijke buur.” 

Je ziet wel dat het woonhuis van dit jonge gezin een speciale functie heeft gehad. Kluisjes bij de voordeur, een enorme keuken, een wat bijzondere indeling - het huis van familie Van Baarle was eerder een gezinshuis van het Leger des Heils. Het staat op een terrein in Apeldoorn dat helemaal eigendom is van het Leger des Heils. De huizen zijn nogal eens van bestemming veranderd; maar op dit moment wonen Danny en Martijntje hier als mentorhuisouders, met aan hun huis een woning met zes jongeren geplakt. 

Stabiele factor
Er is één ander gezin dat hetzelfde doet, op hetzelfde terrein. Verder kennen ze niemand die op zo’n manier woont en werkt. “Het is even het wiel uitvinden,” vertelt Martijntje, “Maar we zijn nog steeds heel blij met deze keuze. Het is pionierswerk, maar we ervaren het als een roeping." Danny vult aan: "Vooraf was ik bang dat we heel erg in de etalage zouden staan als gezin, dat je niet meer zomaar even ruzie zou kunnen hebben. Maar dat valt erg mee. We zijn een gewóon gezin. Het belangrijkste is dat we richting de jongeren een stabiele factor zijn.”

Roeping
Het stel woonde hiervoor aan de andere kant van het land, met banen als docent en juf; niet iets wat je direct verwacht bij mentorhuisouders van het Leger des Heils. Toch voelden zij zich geroepen toen ze een vacature langs zagen komen. Martijntje: “Ik wist toen ik 16 was al dat ik later pleegkinderen zou willen. We hebben ook weleens een kindje vier weken opgevangen, maar dit was op dat moment niet passend binnen onze gezinssituatie. Op deze manier, bijna samenwonen met jongeren die nog best wat begeleiding nodig hebben: dat past echt heel erg bij ons.” Danny: “Toen ik voor de klas stond, vond ik het weleens lastig dat ik zoveel jongeren zag, maar dat het contact niet heel diepgaand was. Daar heb je gewoon geen tijd en ruimte voor als docent. Op deze manier ben ik verantwoordelijk voor minder jongeren, maar kunnen we wel echt in hen investeren. En het is mooi te combineren met de studie Theologie die ik ondertussen volg.”

“Checken of er in de speeltuin geen speed ligt, of rum – sommige dingen wennen nooit.”

Dat klinkt mooi, maar hoe ziet dat er nu in de praktijk uit? Moet het gezin bijvoorbeeld altijd thuis zijn? En hebben de jongeren, soms met strafblad en best wat uitdagingen, geen negatief effect op hun jonge kinderen?  “De jongeren zijn juist ontzettend lief met onze kinderen. Ze spelen vliegtuigje of gaan met de kinderen naar de kinderboerderij. We proberen het zo normaal mogelijk voor hen te maken. Het is voor de jongeren ook goed dat ze naast een gewoon gezin wonen en daar huiselijkheid ervaren. Wij genieten ervan als de jongeren hier het songfestival of een voetbalwedstrijd komen kijken. Maar sommige dingen zijn ook lastig. We hebben achter het huis een grote speeltuin waar de kinderen veel spelen. We moeten soms wel checken of daar geen speed ligt of rum – sommige dingen wennen nooit”, vindt Martijntje.

Op de vraag of de kinderen het niet moeilijk vonden om te verhuizen, reageert Lenora (acht jaar): “Eerst zei ik neeeee, maar toen zag ik dat we een hele grote tuin en een speeltuin kregen.” De buurjongeren vinden ze ook heel leuk. “Ik vind Serena het leukste”, zegt Vera Lize van zes. “Zij komt vaak met ons spelen. En hier is ook veel bos en een kinderboerderij. Het inpakken vond ik wel veel werk.”

Pingpongen en kamercontrole
Altijd thuis zijn hoeft niet. “Maar wel in de buurt. Niet verder dan een half uur weg. Een keer per twee weken zijn we een weekend vrij en gaan we naar onze seizoensplek op de camping. De rest van de tijd zijn wij gewoon beschikbaar. Voor vaatwastabletten en wc-papier. Maar ook om orde te bewaren. Dat is soms wel lastig, want je wilt een relaxte buur zijn die ze kunnen vertrouwen en waar ze even mee pingpongen, maar je moet ook weleens een kamercontrole doen.” 

Blokkeren op Whatsapp
De balans tussen werk en privé is misschien wel de grootste uitdaging. “Dat was best wennen. Het werk kan heel ontspannen zijn, want chillen met die gasten is ook werken. Tegelijkertijd doet het wel een groot beroep op je. We moeten 24/7 bereikbaar zijn en soms moet ik er meerdere keren per week 's nachts uit, omdat we bijvoorbeeld geluidsoverlast hebben,” vertelt Martijntje. “Als een jongere je blokkeert op Whatsapp moet je het je niet persoonlijk aantrekken, maar het is ook belangrijk dat zij echt van jou op aan kunnen. Je bent verantwoordelijk voor zes jongeren, en je buren zijn de ambulante hulpverleners en de hulpverleners op de opvanglocatie ernaast. Dat is ook wel fijn trouwens, mocht er iets zijn dan is er altijd een collega in de buurt die we erbij kunnen halen.” 

Rommelig
Serena is één van de jongeren die naast het gezin woont. Op de vraag wat ze ervan vindt om naast dit gezin te wonen, reageert ze enthousiast. “Ik vind het echt hele leuke mensen. En ik kan ook echt goed opschieten met de kinderen. En kijk, als ik gewoon met mijn vriendje wil chillen kan ik gerust naar hen toe. Ze zijn helemaal niet moeilijk. En het is gewoon gezelliger. We zijn pas nog naar het strandje gegaan. Ik ben het wel eens zat om met die andere jongeren te wonen, want die zijn echt rommelig. Daarom wil ik wel op mezelf wonen. Maar voor deze familie zou ik wel langer willen blijven.” Zefanja, het zoontje van 3, springt tegen haar op. Hij voelt zich duidelijk op z’n gemak. Ze pakt hem op. “Wil jij even gaan kijken of de auto van mijn vriend er al staat?” “Ja!” antwoordt Zefanja en sjeest op zijn fietsje het speeltuintje uit. “Hij heeft het altijd door als mijn vriendje eraan komt, superleuk!”