Ben bijna dood

Ben Dragstra wist niet zeker of hij wel vijftig zou worden vorig jaar. Hij zou sterven, het testament was al aangepast. Maar hij zit tegenover me met pretlichtjes in zijn ogen en een gezonde blos. Soms valt hij stil en soms lacht hij hard als hij vertelt hoe hij eerst doodziek werd en daarna weer beter. En hoe onwerkelijk, moeilijk en mooi dat is.

Gepubliceerd: 23 september 2016 in Leven Tekst: Willemijn de Jong Beeld: Wendy Bos

Wanneer kwam je er achter je dat je ziek was? "Ik ging maar eens naar mijn huisarts toen ik veel begon over te geven, misselijk was en heel hard afviel. Mijn dokter was op vakantie; de invaldokter dacht dat ik overspannen was. Dat leek wel aannemelijk, want ik had het ook echt heel druk. Ik moest naar de psycholoog, maar daar had ik geen tijd voor. Ik ging wel mee met een vrouwenvakantie, en toen vergat ik dingen mee te nemen. Hele simpele dingen als een programmaboekje. Dat klopte natuurlijk niet. Halverwege die vakantie ben ik thuisgebracht omdat het echt niet meer ging. Toen ik weer langs ging bij mijn eigen dokter, stuurde die me naar het ziekenhuis. Daar mocht ik niet meer weg. “Meneer, u bent ernstig ziek”, zei de dokter. Ik zei alleen: “Mijn auto staat in de garage, ik kan niet blijven” en: “Het zal wel een maagzweer zijn”. De volgende dag zei de arts: “U heeft kanker.” Het is heel gek, maar het eerste wat ik dacht was: zie je, ik ben helemaal niet overspannen. Het drong ook niet meteen door. Pas na een tijdje dacht ik: oh, maar aan kanker kun je doodgaan."

Wat voelde je toen? "Niks en alles. Ik heb in de hele periode van chemokuren vaak gedacht: gaat dit over mij? Zoiets voelt onwerkelijk, als een lange nare droom die maar niet ophoudt. Maar als je eenmaal een chemo hebt gehad, moet je het wel onder ogen zien. Omdat je doodziek bent en niets meer kunt. Na de eerste chemo woog ik nog maar 40 kilo en was ik al mijn haar kwijt. Niet alleen mijn hoofdhaar hè, maar al het haar dat ik had. Ben, wat oppervlakkig dat je dat zo erg vind, dacht ik. Maar het ging niet over ijdelheid. Ik herkende mezelf niet meer. Ik schaamde me voor wat ik was geworden. Het was heel confronterend. Ik kon dagenlang alleen maar overgeven. Vooraf dacht ik: misschien kan ik nog wel halve dagen werken. Of na een paar dagen weer naar huis, zo ver is het ziekenhuis niet. Maar zelf toen ik na al die weken ziekenhuis thuiskwam, wist ik niet meer hoe de oven aanmoest of de televisie. Ik was zo zwak dat ik de hagelslag die op de grond viel, niet kon opzuigen met de stofzuiger. Dat was zo’n anti-climax, want ik dacht dat ik me stukken beter zou voelen als ik maar thuis zou zijn."

Hoe lang duurde de behandeling? "Van april tot november heb ik negen chemo’s gehad. Na de vijfde chemo was ik zo verzwakt, dat ik er niet nog een aankon. Ik kreeg een minder heftige dosering. Ik vroeg aan de dokter waarom ik zwakkere chemo’s kreeg en toen zei hij: anders ga je dood aan deze chemo. Ik mocht een tijdje bij Koos en Hennie wonen, vrienden uit het Leger des Heils. Zij zorgden voor me. Toen ik boven lag en Hennie de trap afliep, heb ik haar horen zeggen: ‘Koos, ik denk dat hij sterft.’ Toen dacht ik: Ik ben misschien aan het sterven, maar niet doof! Maar Koos en Hennie hebben me ook in leven gehouden. Door elke ochtend van die strijdliederen van het Leger te zingen. Door me uit bed te tillen en naar de intensive care te brengen als mijn koorts te hoog was. Door gewoon lekker druk bezig te zijn. In het ziekenhuis had ik elke dag bezoek. Vriendinnen hadden een app-groepje waarmee ze regelden dat ik altijd bezoek had. De mensen om me heen, die de hoop niet opgaven, hebben me in leven gehouden. Zonder hen had ik het nooit overleefd."

Hoe ging je om met het feit dat je zou kunnen sterven? "Ik kon na mijn vijfde chemo niet naar de begrafenis van mijn vader, zo slecht was ik er aan toe. Ik maakte plannen voor euthanasie toen het leek alsof ik uitzaaiingen had naar mijn hersenen. Mijn testament was klaar, ik was bezig met mijn uitvaart. Op mijn uitvaart wilde ik een lied van Sela: 'Uit de diepten van mijn hart'. Er zit zo'n regel in dat lied waarin ze zingen dat God ook je schor gefluister hoort. Door God voel ik me gekend. Hij weet alles. Als je een uniform draagt, denken mensen dat je een fiere gelovige bent die alles wel weet. Nou, ik struikel maar achter Jezus aan. Ik stel veel vragen. Ik vraag niet om genezing - ik heb nooit om genezing gebeden. Ik dacht: wat als ik niet genees, kan ik dan nog in God geloven? Maar ik ben beter geworden. 'Twijfel niet, God is er' hangt er op een gebouw van het Leger des Heils. Bij mij is het: God is er, maar twijfel gerust. Het hoort erbij, ik vind dat we daar eerlijk in moeten zijn. De vele ansichtkaarten die ik kreeg van lieve, meelevende mensen, vond ik soms lastig. Bij de Bijbelteksten die ze schreven dacht ik dan: alsof het allemaal zo makkelijk is als je maar gewoon gelooft. Maar dan hoorde ik Koos weer zingen en dacht ik: ja, dat is waar ik me aan vasthoud."

Gaf je God nooit de schuld van je ziekte? "Ik geloof niet dat God dit me aandeed. Het is me overkomen, omdat dit ook bij het leven hoort. Voor mij staat dat los van God. Ik was wel veel in gesprek met Hem. 'Lieve Heer, ik zou nog zou graag zoveel dingen willen doen. We zingen wel al die hemelliederen, maar ik heb geen haast om hier weg te gaan!' Sommige liederen zijn heel troostrijk, maar we zingen het wel heel makkelijk. 'Nu jaagt de dood geen angst meer aan' - nou, als je liefde voor het leven hebt, wil je niet graag dood."

Hoe doe je dat, zo vreselijk ziek zijn? "Met galgenhumor en huilen. Als ik weer eens doodziek op de intensive care aankwam, vroegen de verplegers: 'Had je weer heimwee, Ben?' De vriendin die met me naar de chemo's ging, daar kon ik hard mee lachen. We maakten er een uitje van. Een andere vriendin ging met me naar de oncoloog, met haar kon ik er enorm om huilen. Het zijn allebei manieren waarop je het maar zo goed en zo kwaad als dat kan een plekje geeft. Soms kwam het ook gewoon niet aan. Toen de arts zei dat ik misschien uitzaaiingen had in mijn hersenen, omdat ik plots een epileptische aanval kreeg, hoorde ik wel wat hij zei, maar ik hóórde het niet echt. Alsof die informatie te groot was om binnen te kunnen laten."

En toen bleek je ‘schoon’. Wat deed dat met je? "De eerste keer dat ik weer op de Albert Cuyp liep. De eerste keer dat ik weer koffie verkeerd dronk bij het cafeetje waar ik dat altijd deed. Toen ik weer gewoon kon fietsen. Ik was daar heel bewust dankbaar voor. Ik wist niet of ik dat ooit weer zou doen. Maar het is ook wel dubbel. Ik ben elke dag dankbaar dat ik nog leef, maar word nog steeds geconfronteerd met mijn beperkingen als gevolg van de ziekte. Ik kan me niet concentreren zoals ik dat voor de ziekte kon en mijn conditie is ook zwakker dan hij was. Je zet je daar snel overheen omdat je tenminste nog naar de film kúnt, maar het staat in contrast met de enorme levenslust die ik nu heb. Ik wil er alles uithalen. Maar het duurt nu eenmaal een tijd voor je weer echt de oude bent."

Wat doet het met je geloof dat je, zeg maar, 'extra levenstijd' hebt gekregen? "Ik heb met mensen die niet geloven veel vaker spirituele gesprekken. Ze vragen me dingen als 'Ben, geloof je nog wel?' en 'Hoe ervaar je dat dan?' Ze denken meer over de dood na nu ze ermee worden geconfronteerd doordat ik bijna dood ging. Dat levert hele onbevangen gesprekken op. Wel of niet geloven ligt niet zo ver uit elkaar. We hebben allemaal dezelfde vragen en gevoelens. Ik vind het mooi om daar open over te zijn en je eigen zekerheden en twijfels uit te wisselen. Als je kwetsbaar bent, kun je elkaar ook beter begrijpen. Weet je, ik voel me wel eens schuldig. Als ik op andermans uitvaart ben, dan denk ik: waarom jij wel en ik niet? Waarom ben ik genezen terwijl ik geen kinderen en geen relatie heb? Als ik dan zie dat iemand anders sterft en bijvoorbeeld kindertjes achterlaat, dan lijkt het zo willekeurig. Maar misschien gaat het er niet om hoe lang we leven, maar wat de kwaliteit van ons leven is. Hoe we tijdens ons leven met elkaar omgaan. Er zijn veel dingen die we nooit zullen begrijpen. Ik weet alleen dat het me in mijn leven troost dat ik alles bij God kwijt kan, en dat hij als geen ander weet wat lijden is."