Andre van Duin: "Ik vertel gewoon flauwekul"

Je kent de gekke bekken van André van Duin niet? Een grootvader grijnst voor zijn televisie om de parodieën van de cabaretier, een kind van elf schatert om André's programma Animal Crackers. Hoe wist André van Duin, een humor-icoon, als jongen van zestien wat het publiek grappig vond en krijgt hij als man van 69 nog steeds volle zalen in ‘een deuk’?

Gepubliceerd: 05 april 2017 in Geluk Tekst: Willemijn de Jong

“In 1964 begon ik met de bandrecorder voor de talentenjacht De Nieuwe Oogst, die ik won. Maar dat was in de tijd dat er nog maar één televisiestation was, waar iedereen naar keek. Dus als je iets bijzonders op tv deed, dan sprak iedereen er ook over. Ik denk dat ik, als ik in deze tijd zou beginnen met grappen maken, ik niet meer zo snel bekend zou worden. De ene week was ik nog een gewone magazijnbediende en een week later was ik artiest en stond ik op affiches in Leeuwarden, samen met de sterren van toen zoals De Mounties. Ik kan me nog herinneren dat ik de avond van mijn eerste televisie-uitzending de hond uitliet en iedereen me opeens kende: ‘Hee, ik zag je op televisie, dat was lachen!’ Ik vond dat een hele aparte ervaring. Tegenwoordig gaat cabaret veel meer over het opzoeken van grenzen en shockeren. Dat past niet zo bij mij.”  

Simpele humor

“Ik heb hele toegankelijke humor. Ik heb geen politieke boodschap, helemaal geen boodschap zelfs. Ik vertel gewoon flauwekul. Mijn sketches spelen bij de bakker, de slager en de dokter. Juist die simpele humor, dat spreekt veel mensen aan. Mijn grappen vallen in het genre van de schoonmoedergrappen, die zijn heel universeel en simpel. Ik werd vaak in de onderbroekenlolhoek geduwd. Pas toen ik de Dikvoormekaar-show ging doen, waar ook wat andere grappen bij hoorden, vonden de studenten en de incrowd van Hilversum dat heel leuk. Vanaf toen had ik een veel breder publiek. Van jong tot oud ook, want tegenwoordig bekijken veel kinderen al die filmpjes via YouTube.

Shockeren 

“Die kinderen bevinden zich ook in de theaterzaal als ik optreedt. Ik ben een cabaretier waar ouders hun kinderen mee naartoe nemen, omdat er niet veel schokkends gebeurt. Een Hans Teeuwen, die is veel grover. Tegenwoordig gaat cabaret veel meer over het opzoeken van grenzen en shockeren. Dat past niet zo bij mij; heeft het ook nooit gedaan. Het is niet zo dat ik studeer op want mensen grappig zullen vinden of niet. Ik ga altijd van mezelf uit. Als ik het grappig vind, dan hoop ik dat anderen dat ook vinden. Ik maak geen grappen die mensen eventueel kunnen kwetsen. Ik denk vooraf ‘hmm, zou ik het leuk vinden als iemand anders mij op deze manier nadeed of dit over mij zou zeggen’? Als ik het zelf niet kwetsend zou vinden als een ander het over mij zou zeggen, dan kan het door de beugel. Ik heb ooit met mijn lied ‘Willempie’ wat oudere mensen voor het hoofd gestoten die vonden dat ik verstandelijk gehandicapten in de maling nam. Maar dat is nooit mijn bedoeling geweest. In die tijd reed iedereen op die brommers met zo’n helm op; dat waren in die tijd van die domme witte helmen. Met Willempie deed ik de bodes van de huisbaas of de verzekering na, van die types met een lange leren jas aan die op zo’n brommertje met helm op langs de deur kwamen.”  

Een typetje neem je niks kwalijk

"Zo’n negentig procent van mijn grappen verzin ik zelf. Ik krijg wel eens wat aangedragen, maar het merendeel doe ik zelf. Ik merk dat mijn grappen door de jaren heen wel zijn veranderd. Je wordt ouder, je gaat  anders denken en het hele leven verandert natuurlijk. Vroeger was een schoonmoedergrap al pikant en nu zijn er eigenlijk geen grenzen meer. Toen ik begon, waren het geloof en seks nog onderwerpen waar je voorzichtig mee moest zijn. Nu past het toch niet in mijn genre om hele heftige grappen te maken maar ik merk wel dat ik, nu ik ouder ben, me meer kan permitteren. Het is ook altijd prettig dat ik me achter een typetje kan verschuilen. Een typetje is niet helemaal toerekeningsvatbaar. Die rare typetjes met hoedjes en brilletjes, daar wordt veel meer van gepikt dan wanneer ik het als André zou zeggen. Mijn typetje Jan Wijdbeens bijvoorbeeld, die kan eigenlijk alles zeggen, mensen nemen hem niks kwalijk.”   

Waarde voor anderen 

"Door de jaren heen zijn er steeds meer mensen die zeggen dat mijn grappen hen hebben geïnspireerd om ook het vak in te gaan. Of mensen die zich door een ziekte heen sleepten met liedjes en gekke sketches van mij. Er komt dus steeds meer waardering voor wat ik doe, wat natuurlijk fijn is om te merken. En ik kan nog altijd grijnzen om kinderen die om een mop vragen op straat of mensen die elkaar aanstoten en dan tegen elkaar fluisteren: ‘Is dat niet André van Duin?’ Dat hoort erbij.”