‘Alles in ons leven is veranderd, behalve God’

In 2014 krijgen Dennis en Martine een heftig auto-ongeluk. Dennis belandt met een dwarslaesie in een rolstoel. Martine lijdt hersenschade, zoon Eljakim heeft een schedelbasisfractuur en het kindje dat het echtpaar verwacht, haalt het niet. “Tijdens de eerste ontmoeting met Wim zeiden we gelijk: we nemen jou niets kwalijk.”

Gepubliceerd: 22 april 2019 in Geloven Tekst: Wilfred Hermans Beeld: Madame Forêt

Het is 9 maart 2014, een zonnige dag. Dennis en Martine willen met hun zoons Eljakim (2), Nathanaël (1) en Simeon (8 maanden) nog een weekje met vakantie voordat ze verhuizen naar hun droomhuis, de dozen zijn al ingepakt. Dan, als ze stilstaan voor een openstaande brug, knalt een achterligger hun tot dan toe zorgeloze leventje met 113 kilometer per uur frontaal aan gruzelementen. Hun kleine Hyundai Atos is, net als vijf andere auto’s, total loss. Achteraf zal blijken dat de bestuurder, Wim, een dag eerder zijn vader had verloren en met de rouwkaarten op weg was naar zijn moeder.

Alle energie weg
Inmiddels zijn de drie jongens acht, vijf en zes. Ze zijn er fysiek weer helemaal bovenop gekomen. Martine brak haar bekken, kneusde haar hart en leed geheugenverlies, maar ook zij is op wat pijn na lichamelijk weer de oude. Dennis zit daarentegen in een rolstoel, is onder zijn middel verlamd en heeft dagelijks rugpijn. “Op de grens van geen gevoel, wel gevoel heb ik een soort zenuwpijn die er altijd is. Zonder medicatie is het niet te houden, nu is het enigszins behapbaar.”

‘Niks is meer leuk, eigenlijk’

Martine lacht besmuikt. “Je zegt het zo voorzichtig, maar het zuigt al je energie weg, beïnvloedt je humeur. Ondertussen moet er zo veel gebeuren... De jongens moeten naar zwemles; ik wil sinds het ongeluk geen auto meer rijden, dus het komt op zijn bord.”
Dennis: “De pijn beïnvloedt mijn hele leven. In bed kan ik nauwelijks omdraaien, ik heb zeven doorligplekken gehad. Zo’n plek op mijn voet ging maar niet over, dus hebben ze een stuk geamputeerd. Als ik op visite lang stilzit, verbijt ik de pijn. Niks is meer leuk, eigenlijk.”
Martine: “Tot afgelopen oktober moesten we vier keer per week naar het ziekenhuis, en dat dik vier jaar lang. Dat komt bovenop het huishouden, de kinderen naar school brengen – alles wat in een gezin moet gebeuren.”

Ontmoeting met dader
We zitten in de woonkamer van Dennis en Martine. Niet hun droomhuis, maar de enige aangepaste woning die direct beschikbaar was. Her en der staan dichte verhuisdozen. Dennis kan ze niet verplaatsen en komt er niet aan toe ze uit te pakken. De grote liftdeur naar boven valt meteen op. In de keuken is alles rolstoeltoegankelijk gemaakt. 

Toen Wim hier voor het eerst op bezoek kwam, durfde hij het echtpaar haast niet onder ogen te komen. Martine: “Hij bleef maar in de gang staan, een beetje krom, hij ging er letterlijk gebukt onder. Opeens werd de sfeer heel drukkend. Wij beseften: als we elkaar nooit waren tegengekomen, hadden we nu niet in deze aangepaste woning hoeven te zitten. En Wim werd opeens geconfronteerd met de gevolgen van het ongeluk.”

Hoe lukte het jullie Wim zo snel te vergeven?
Dennis: “Zodra we aangereden werden, raakte ik in shock. Toen ik bijkwam, dacht ik: ik zal wel een black-out gehad hebben, ik heb vast een ernstig ongeluk veroorzaakt! Daardoor kon ik me meteen in Wim verplaatsen. Al gauw vroegen we de officier van Justitie: ‘Wij hebben hem al vergeven, waarom moet u ‘m ook nog straffen?’ De reactie was dat door de ernst van het letsel de overheid een gevangenisstraf mocht eisen, wat ze voor ons verlaagden naar een taakstraf. Toen zeiden wij: hij kan in een bejaardentehuis gaan werken, maar als íemand recht heeft op zijn hulp, zijn wij het. Ook vanuit de gedachte dat het voor beide partijen helend zou zijn, dat hij aan ons kon zien dat we hem écht vergeven hebben. Maar de reclassering ging daar niet in mee.” 

Hoe reageerde Wim op jullie vergeving?
Martine: “Pas gaandeweg het gesprek, nadat we meerdere keren onze vergeving hadden uitgesproken, zag je hem ontdooien. Alsof er een last van duizend kilo van zijn schouders viel.”
Dennis: “We zeiden het gelijk: we nemen jou niets kwalijk. Afzonderlijk van elkaar stonden we er zo in: die man moet weten dat we hem hebben vergeven. Niettemin vond hij het confronterend om mij in een rolstoel te zien, de ernst van het letsel was hem vooraf niet verteld. Daarom maakten we ons vooraf vooral zorgen om hem.”

Martine: “We hadden ook gebeden dat we oprecht op hem zouden overkomen, dat hij mocht proeven dat onze vergeving gemeend is.” Haar stem klinkt hoger. “Je hoopt gewoon dat ‘ie de liefde van Christus mag proeven! We vroegen hem ook of hij nog om z’n vader had kunnen rouwen. Hij vond het maar vreemd dat we met zijn lot bezig waren. ‘Hoe kan het dan dat jullie niet boos zijn?!’ Maar hij is natuurlijk niet ’s ochtends opgestaan met het idee: wie zal ik vandaag eens platrijden? Daarbij: je kunt geen christen zijn zonder het in de praktijk te brengen.”

Noah: God troost
Martine kan pas sinds een half jaar emoties toelaten. Tot die tijd stond ze in de overleefstand. “Ik moest verder, ook voor onze jongens. Zij vinden het ingewikkeld dat er geen kindje meer komt, ook niet het broertje dat ze zouden krijgen. Noah overleed met 23 weken en zes dagen.”

Hij had al een naam?
Dennis: “Ja, een bijzonder verhaal. Een tijd voor het ongeluk droomde Martine dat de naam moest beginnen met een N en eindigen op een H. We kwamen op vier namen die allemaal hetzelfde betekenen: God troost.” Martine: “Dat vonden we maar vreemd. Moesten we later dan vertellen: ‘Papa en mama waren depressief toen we jou kregen’? Na het ongeluk kreeg die naam natuurlijk een compleet andere dimensie, waardoor ik me gelijk getroost voelde. Oké, dit past kennelijk in Gods plan – zeker niet mijn plan – dus Hij zal erbij zijn en ons troosten. Niettemin werd het een moeilijke weg, heel rauw, want we hadden graag een groot gezin gehad.” Dennis: “Alles onder mijn middel werkt niet meer, is verlamd.”

Worstelen jullie hierdoor met God? 
Dennis: “Alle zekerheden zijn weg, je huis, je auto, alles. Maar ik viel niet in een gat, ik ervoer dat God er was. Ze zeggen weleens: ‘Ik voelde me gedragen’, ofzo. Dat zei me nooit wat, totdat ik alles kwijtraakte. Dus dít is het. Alles viel onder me vandaan, maar ik werd meteen opgevangen. God is dichtbij, de rest telt niet. Nooit meer kunnen lopen? Pfft, wat maakt het uit, God is er. Maar daarna spatte de harde realiteit recht in m’n gezicht uiteen. Bleek ik sommige dingen écht niet meer te kunnen. Daarbij: mijn hele leven ben ik al slecht geweest in hulp vragen, dus zei ik tegen God: U weet hoe moeilijk ik dat vind, en nu geeft U me iets waardoor ik continu om hulp moet vragen!”

‘Ik schreeuw het gewoon uit – huppetee’

Martine: “Dat jij nauwelijks worstelt met God, komt misschien ook omdat je een rustiger persoon bent dan ik. Ik schreeuw het gewoon uit – huppetee. Toen ik lang pijn aan mijn hand bleef houden, schreeuwde ik tegen God: ‘En nu is het klaar! Als ik dan moet blijven leven, dan wil ik ook moeder en echtgenoot kunnen zijn!’ Toen we net samen in het ziekenhuis lagen, baden we samen, maar dat was meer schreeuwen naar God. Daarom werden we uit elkaar gehaald, ze dachten dat we compleet gek waren geworden. Vervolgens duurde het tien maanden voordat we weer bij elkaar konden zijn.”

Wat riepen jullie?
Martine: “Heer, help nou! Dit is hartstikke zwaar, hoe moeten we hier doorheen komen? In de Bijbel staat: ‘Roep Mij aan in de dag der benauwdheid en Ik zal u uithelpen’. Daar hield ik me aan vast. God faalt nooit en is er altijd bij. We rusten uit bij God, ondanks dat we niet begrijpen waarom dit moest gebeuren.”

Jou zal niks overkomen
Aanvankelijk had het echtpaar veel troost aan psalm 91, over God die een schuilplaats is. Dennis: “Maar er staat ook: jou zal niks overkomen. Toen ik dat las, dacht ik: mijn hele gezin ligt verspreid over Rotterdam in ziekenhuizen, mijn vrouw moet bevallen van een dood kindje en ik kan daar niet bij zijn – hoezo, jou zal niks overkomen?! Daarna dacht ik: maar God is erbij, dat kan niemand me afnemen, ook al kan ik nog steeds niet uitleggen waarom dit ons overkwam. Alles in ons leven is veranderd. De enige zekerheid die we nog hebben, is dat God niet verandert. Je kunt zeggen: dat is jouw gevoel, maar voor mij is het echt een zekerheid.”